ECLI:NL:CRVB:2025:1767

ECLI:NL:CRVB:2025:1767, Centrale Raad van Beroep, 25-11-2025, 24/575 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 25-11-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer 24/575 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Intrekking en terugvordering van bijstand. Geringe uitgaven voor levensonderhoud. Schending inlichtingenverplichting niet aannemelijk gemaakt. Dat geen of geringe uitgaven voor levensonderhoud op de bankafschriften zichtbaar zijn, levert op zichzelf geen schending op van de inlichtingenverplichting. Dat is ook niet het geval, als de zichtbare uitgaven veel lager zijn dan de Nibud-referentiecijfers. Wel roept dit de vraag op hoe appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Er zou immers sprake kunnen zijn van een verzwegen inkomstenbron of een verzwegen andere mogelijkheid om in het levensonderhoud te voorzien. De bewijslast om aannemelijk te maken dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden ligt – ook bij uitgaven onder de Nibud-referentiecijfers – bij het college. Alleen een vermoeden dat appellant een inkomstenbron heeft die hij niet heeft gemeld, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. het college appellant tijdens de gesprekken op 22 september 2021 en 27 september 2021 geen vragen heeft gesteld over de lage uitgaven voor levensonderhoud. Het college heeft dan ook onvoldoende onderzoek verricht naar de uitgaven van appellant voor levensonderhoud en de vraag of hij mogelijk een andere inkomstenbron had die hij verzwijgt.

Uitspraak

SAMENVATTING

24/575 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 februari 2024, 23/3117 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Veendam (college)

Datum uitspraak: 25 november 2025

Het college heeft de bijstand van appellant per 1 januari 2021 ingetrokken en teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en het recht op bijstand als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld. Hij heeft namelijk niet duidelijk gemaakt op welke manier hij vanaf 1 januari 2021 in zijn levensonderhoud heeft voorzien en hij heeft niet gemeld dat hij vanaf 1 mei 2021 niet meer op het uitkeringsadres woont. Appellant is het hier niet mee eens. Zijn hoger beroep slaagt.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Groeneveld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 september 2025. Appellant heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. Groeneveld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E.Y. Lamein-Smit en mr. H. Sahinturk-Isik.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant ontving vanaf 1 mei 2017 bijstand op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande.

Appellant stond ten tijde van belang in de Basisregistratie personen (Brp) ingeschreven op adres A in [woonplaats] (uitkeringsadres). Hij was van 1 oktober 2016 tot 7 januari 2021 gehuwd met X. Zij stond ten tijde van belang in de Brp ingeschreven op adres B in [woonplaats] .

Het college heeft in 2021 een melding ontvangen dat appellant niet op het uitkeringsadres maar op adres B zou verblijven. Het college heeft onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. Een bijzonder controleur van de gemeente heeft dossieronderzoek verricht, gegevens gevorderd bij de leveranciers van de nutsvoorzieningen op het uitkeringsadres en in de periode van 18 maart 2021 tot en met 22 september 2021 waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en adres B. Daarnaast heeft op 22 september 2021 een gesprek met appellant plaatsgevonden en is aansluitend een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Op 27 september 2021 heeft nogmaals een gesprek met appellant plaatsgevonden.

Met een besluit van 25 november 2021 heeft het college, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken en teruggevorderd.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 november 2021. Met een besluit van 20 mei 2022 heeft het college het besluit van 25 november 2021 gehandhaafd.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 20 mei 2022. De rechtbank heeft dat beroep ter zitting behandeld. Partijen hebben tijdens die zitting afspraken gemaakt, onder meer dat het college het besluit van 20 mei 2022 zou herzien, dat appellant het beroep zou intrekken en dat appellant tegen het nieuwe besluit op bezwaar weer beroep zou kunnen instellen.

Met een besluit van 14 maart 2023 (bestreden besluit), gewijzigd bij besluit van 12 juli 2023 (wijzigingsbesluit), heeft het college, voor zover hier van belang, de intrekking van bijstand per 1 januari 2021 gehandhaafd en een bedrag van € 9.953,72 aan gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hij legt hierna uit waarom hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2021 tot en met 25 november 2021.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat en in welk opzicht appellant gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Kosten van levensonderhoud

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zijn uitgaven voor levensonderhoud in de periode vanaf 1 januari 2021 ruim onder de Nibud-referentiecijfers lagen en hij niet duidelijk heeft gemaakt hoe hij in die periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld voor de periode vanaf 1 januari 2021.

Appellant voert onder meer aan dat de Nibud-referentiecijfers slechts richtbedragen zijn, dat hij in de periode vanaf 1 januari 2021 wel geld aan boodschappen heeft uitgegeven en dat hij zuinig heeft geleefd. Hij heeft zijn inlichtingenverplichting op dit punt niet geschonden. Deze beroepsgrond slaagt.

Het is vaste rechtspraak dat, hoewel de Nibud-referentiecijfers geen absolute minimumbedragen zijn, deze cijfers wel een algemeen geaccepteerd richtsnoer geven om te bepalen hoeveel een huishouden nodig heeft om in bepaalde kosten te voorzien. Dat geen of geringe uitgaven voor levensonderhoud op de bankafschriften zichtbaar zijn, levert echter op zichzelf geen schending op van de inlichtingenverplichting. Dat is ook niet het geval, als de zichtbare uitgaven veel lager zijn dan de Nibud-referentiecijfers. Wel roept dit de vraag op hoe appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Er zou immers sprake kunnen zijn van een verzwegen inkomstenbron of een verzwegen andere mogelijkheid om in het levensonderhoud te voorzien.

De bewijslast om aannemelijk te maken dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden ligt – ook bij uitgaven onder de Nibud-referentiecijfers – bij het college. Alleen een vermoeden dat appellant een inkomstenbron heeft die hij niet heeft gemeld, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.

De Raad stelt vast dat het college appellant tijdens de gesprekken op 22 september 2021 en 27 september 2021 geen vragen heeft gesteld over de lage uitgaven voor levensonderhoud. Het college heeft dan ook onvoldoende onderzoek verricht naar de uitgaven van appellant voor levensonderhoud en de vraag of hij mogelijk een andere inkomstenbron had die hij verzwijgt. Ook in het vervolg van de procedure heeft dit onderzoek onvoldoende gestalte gekregen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar is dit onderwerp niet besproken. Het college stelt weliswaar dat appellant stukken had kunnen overleggen over de manier waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien, maar daarmee gaat het college eraan voorbij dat de bewijslast op het college rust. Als het college appellant op enig moment vragen had gesteld over de lage uitgaven voor levensonderhoud, had het college vervolgens aan de hand van de antwoorden van appellant nader onderzoek kunnen verrichten. Dit is niet gebeurd. Door dit onderzoek niet te verrichten is het bij een vermoeden van een andere inkomstenbron gebleven.

Daar komt nog bij dat de uitgaven van appellant voor levensonderhoud in sommige maanden weliswaar zeer gering zijn geweest, maar dit geldt niet voor alle maanden in de periode vanaf 1 januari 2021. Zo heeft appellant in mei 2021 een bedrag van € 212,12 aan boodschappen uitgegeven en in juli 2021 een bedrag van € 223,70. Deze bedragen liggen net onder respectievelijk net boven de destijds geldende Nibud-referentiecijfers, zo is niet in geschil.

Uit 4.3.2 tot en met 4.3.5 volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. De intrekking van bijstand kan dan ook niet hierop steunen.

Hoofdverblijf niet op uitkeringsadres

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant zijn inlichtingenverplichting ook heeft geschonden, omdat hij niet heeft gemeld dat hij per 1 mei 2021 zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres heeft gehad. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat er vanaf 1 mei 2021 geen gasverbruik en een laag elektriciteitsverbruik op het uitkeringsadres was. Daarnaast is tijdens het huisbezoek op 22 september 2021 geconstateerd dat de woning op het uitkeringsadres niet werd bewoond. Appellant heeft verklaard dat die situatie al twee tot drie maanden zo was. Verder heeft het college zich gebaseerd op waarnemingen in de omgeving van het uitkeringsadres en adres B.

Appellant voert aan dat hij zijn hoofdverblijf in de periode vanaf 1 mei 2021 wel op het uitkeringsadres heeft gehad. Er was vanaf die datum geen gasverbruik op het uitkeringsadres omdat hij geen verwarming en warm water gebruikte. Hij heeft wel elektriciteit verbruikt, maar minder dan gebruikelijk is. Dat het college tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres weinig huisraad heeft aangetroffen, komt doordat de ex-partner van appellant de inboedel had meegenomen. Verder heeft het college te weinig observaties verricht om daar conclusies aan te kunnen verbinden. Dat appellant ook regelmatig op adres B is gezien, komt doordat hij vaak zijn zoontje bezocht bij zijn ex-partner. Deze beroepsgrond slaagt voor een gedeelte van de periode.

Niet in geschil is dat er vanaf 1 mei 2021 geen gasverbruik op het uitkeringsadres was en dat het elektriciteitsverbruik laag was. Uit vaste rechtspraak volgt dat dit een aanwijzing vormt dat de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning op dat adres. Maar die omstandigheid maakt dat nog niet aannemelijk. In zo’n geval is aanvullend bewijs nodig om aannemelijk te maken dat de betrokkene zijn hoofdverblijf niet heeft in die woning. Alleen die aanwijzing is dus ontoereikend als grondslag voor intrekking van de bijstand.

De waarnemingen die het college heeft verricht bieden niet het in 4.4.2 bedoelde aanvullend bewijs, alleen al omdat daarvoor het aantal verrichte waarnemingen onvoldoende is. In de periode vanaf 1 mei 2021 heeft het college slechts twee waarnemingen bij het uitkeringsadres verricht.

Het huisbezoek dat op 22 september 2021 heeft plaatsgevonden biedt daarentegen wel aanvullend bewijs. Het college heeft met de bevindingen uit het huisbezoek aannemelijk gemaakt dat appellant op dat moment niet meer op het uitkeringsadres woonde. Hierbij is onder meer van belang dat bij dat huisbezoek is geconstateerd dat de koelkast leeg was, dat geen spullen voor persoonlijke verzorging (tandenborstel, shampoo, douchegel, kam, scheermes, deodorant) aanwezig waren, dat er geen handdoeken in de badkamer lagen, dat in het huis slechts één rolletje wc-papier met daarop één velletje papier aanwezig was en dat er wat betreft kleding uitsluitend een joggingbroek van appellant in de woning lag.

Op grond van vaste rechtspraak kunnen de bevindingen van het huisbezoek niet worden gebruikt voor de beoordeling van het recht op bijstand in de periode voorafgaand aan het huisbezoek. In dit geval heeft appellant tijdens het gesprek van 27 september 2021 echter verklaard dat de situatie die tijdens het huisbezoek op 22 september 2021 is aangetroffen al twee of drie maanden zo was. De Raad neemt op basis hiervan aan dat appellant in ieder geval vanaf 22 juli 2021 niet meer zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.

Uit 4.4.2 tot en met 4.4.5 volgt dat er voldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat appellant vanaf 22 juli 2021 niet meer zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, zodat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door dit niet te melden. Op basis hiervan heeft het college terecht geconcludeerd dat voor de periode vanaf 22 juli 2021 het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Voor de periode voorafgaand aan 22 juli 2021 ontbreekt deze feitelijke grondslag.

Conclusie en gevolgen

Uit 4.3 tot en met 4.4.6 volgt dat voor de periode van 1 januari 2021 tot 22 juli 2021 onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voor die periode kan de intrekking van bijstand dus geen standhouden. Dit betekent dat de terugvordering ook geen standhoudt. Voor de periode vanaf 22 juli 2021 bestaat wel voldoende feitelijke grondslag voor de intrekking van bijstand.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit ongegrond heeft verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit wordt alsnog gegrond verklaard. De Raad zal het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover het de intrekking over de periode van 1 januari 2021 tot 22 juli 2021 en de terugvordering in zijn geheel betreft, nu de terugvordering ondeelbaar is. Gelet op het verloop van de procedure en de tijd die inmiddels is verstreken acht de Raad nieuw onderzoek naar de situatie van appellant in de periode voorafgaand aan 22 juli 2021 niet aangewezen. De Raad zal daarom het besluit van 25 november 2021 voor zover het de intrekking over de periode 1 januari 2021 tot 22 juli 2021 betreft, herroepen.

Het college moet een nieuwe berekening maken van het van appellant terug te vorderen bedrag. Dit betreft namelijk een financiële uitwerking die de Raad in dit geval niet zelf kan maken. De Raad zal het college daarom opdragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen voor zover het de terugvordering betreft. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar dient het college uit te gaan van een intrekking van bijstand per 22 juli 2021.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Omdat het hoger beroep slaagt, krijgt appellant een vergoeding voor zijn kosten. Deze kosten worden begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt: € 907,-) en € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt: € 907,-) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.628,-.

Appellant krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.

(getekend) J.J. Janssen

(getekend) N. El Khabazi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2026/3
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?