Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 november 2022, 22/1540 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 december 2025
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Şimşek, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft bij nadere besluiten van 30 oktober 2024 en 19 december 2024 de beslissing op bezwaar gewijzigd.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 19 december 2024 volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, in beroep begroot op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en in hoger beroep op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport en 0,5 punt voor de reactie op de gewijzigde beslissing op bezwaar van 30 oktober 2024, met een waarde per punt van € 907,-), in totaal € 4.535,-.
Ook de kosten die appellant in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor het inschakelen van een deskundige van Wpex komen voor vergoeding in aanmerking. Appellant heeft een factuur van Wpex van 4 oktober 2022 ten bedrage van € 3.081,58, inclusief BTW overgelegd. Dit bedrag komt in zijn geheel voor vergoeding in aanmerking. Het in deze factuur gehanteerde uurtarief van € 134,04 ligt onder het maximale uurtarief dat voor het jaar 2022 op grond van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (€ 136,19) is voorgeschreven zodat het bedrag van € 3.081,58, inclusief BTW, voor vergoeding in aanmerking komt.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
(getekend) W.R. van de Velde
(getekend) C.M. Snellenberg