23/2663 AOW
Datum uitspraak: 11 december 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 augustus 2023, 23/1088 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
Appellant krijgt een lagere AOW-uitkering uitbetaald, omdat de Svb een bedrag inhoudt als gevolg van een derdenbeslag. Appellant is het daar niet mee eens en vindt dat de gemeente te veel onroerendezaakbelasting heeft geheven en dat het incassobureau niet bevoegd was tot beslaglegging. De Svb had daarom geen uitvoering mogen geven aan het derdenbeslag. Net als de rechtbank, oordeelt de Raad dat de Svb binnen de grenzen van het beslag is gebleven. De rechtmatigheid van het beslag moet appellant bij de civiele rechter aanvechten. De Raad is het ook niet met appellant eens dat de rechtbank zijn verzoek tot uitstel van de zitting had moeten honoreren. Ten slotte is de uitspraak van de rechtbank, anders dan appellant stelt, niet nietig vanwege termijnoverschrijding.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een verzoek tot uitstel van de zitting ingediend. De Raad heeft dat verzoek afgewezen.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 oktober 2025. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellant ontvangt een AOW-pensioen. De invorderingsambtenaar van de gemeente Cranendonck heeft aan appellant een (op 1 november 2022 ter post bezorgd) dwangbevel tot betaling van € 445,- afgegeven. Incassobureau Cannock Chase heeft daarop op 9 februari 2023 namens de gemeente Cranendonck executoriaal derdenbeslag gelegd op het AOWpensioen dat appellant van de Svb ontvangt tot een bedrag van € 472,26. Het incassobureau heeft de beslagvrije voet, het deel van de uitkering dat niet voor beslag vatbaar is, bepaald op € 0,- per maand. De Svb heeft in een derdenverklaring aan het incassobureau opgave gedaan van het AOW-pensioen dat appellant ontvangt van de Svb.
De Svb heeft met een besluit van 22 februari 2023 bepaald dat ter uitvoering van het derdenbeslag in maart 2023 een bedrag van € 472,26 wordt ingehouden op het AOWpensioen van appellant. Met een besluit van 28 maart 2023 heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb en de bestuursrechter niet de geldigheid van het beslag mogen beoordelen. De bestuursrechter beoordeelt alleen of het bestuursorgaan binnen het kader van het gelegde beslag is gebleven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb inderdaad gebleven is binnen het kader van het beslag dat het incassobureau heeft gelegd. Volgens de rechtbank heeft de Svb voldoende gemotiveerd dat hij het beslag goed heeft uitgevoerd en heeft appellant niet aangetoond dat dit niet het geval zou zijn geweest.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
Het verzoek tot uitstel van de zitting bij de Raad
Appellant heeft met een brief van 27 oktober 2025 de Raad meegedeeld dat hij niet in staat is om de zitting bij te wonen vanwege hartproblemen en verwezen naar een bijlage met daarop een afsprakenoverzicht voor 4 november 2025 van een ziekenhuis. De Raad heeft hierin geen aanleiding gezien de behandeling op zitting uit te stellen. Daarvoor is redengevend dat het verzoek pas kort voor de zitting is gedaan en de gestelde gezondheidsproblemen niet zijn toegelicht of onderbouwd. De kopie van het afsprakenoverzicht is onvolledig. Er kan enkel worden vastgesteld dat er afspraken zijn op 4 november 2025, maar niet om wat voor afspraken het gaat en of deze afspraken appellant betreffen. Daar komt bij dat appellant niet heeft gereageerd op de per e-mail aangeboden mogelijkheid om de zitting via een videoverbinding bij te wonen. Ook is appellant telefonisch benaderd op het door hem opgegeven nummer, maar hij heeft die oproep niet beantwoord.
De weigering van de rechtbank om de zitting uit te stellen
Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot uitstel van de zitting heeft afgewezen. Appellant is chronisch ziek en heeft zich tijdig afgemeld. Door de zitting in die omstandigheden door te laten gaan, zonder de aanwezigheid van appellant, is in strijd met de wet gehandeld.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft in haar uitspraak opgenomen dat het verzoek is afgewezen omdat appellant zijn uitstelverzoek kort voor de zitting heeft gedaan, hij zijn mededeling dat hij chronisch ziek is niet heeft onderbouwd, en hij niet heeft gereageerd op de contactpoging van de rechtbank. In die omstandigheden is de Raad niet gebleken dat de rechtbank enige rechtsregel heeft geschonden door het uitstelverzoek niet te honoreren.
De tijdigheid van de uitspraak van de rechtbank
Appellant heeft verder gesteld dat de rechtbank de zaak niet binnen de gestelde termijnen heeft afgehandeld. De uitspraak is daarom volgens appellant nietig.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Afgezien van de vraag of de rechtbank enige termijn heeft overschreden, geldt dat zo een overschrijding de uitspraak niet nietig maakt.
De uitvoering van het derdenbeslag door de Svb
Appellant heeft ten slotte gesteld dat de gemeente te veel onroerendezaakbelasting blijft heffen en dat het incassobureau de door de gemeente overgedragen bevoegdheden te buiten is gegaan. De Svb had in die omstandigheden het beslag niet klakkeloos mogen aanvaarden, maar had de rechtmatigheid van de onderliggende vordering moeten beoordelen. Op de Svb rust een onderzoeksplicht daartoe.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad overweegt daartoe als volgt.
De Svb is verplicht om volledige medewerking te verlenen aan een derdenbeslag, zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Dat is vaste rechtspraak. De bestuursrechter moet bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd derdenbeslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven beschouwen en kan alleen beoordelen of het bestuursorgaan met de betalingsbeslissing binnen de kaders van het beslag is gebleven. Toetsing van de geldigheid en de omvang van het beslag zijn voorbehouden aan de civiele rechter. Voorgaande rechtspraak geldt ook als het beslag, zoals in deze zaak het geval is, is gebaseerd op een vordering van de ontvanger als bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet.
De Raad is het eens met de rechtbank dat de Svb binnen de kaders van het beslag is gebleven. De Svb heeft terecht geen rekening gehouden met de beslagvrije voet, omdat het incassobureau de beslagvrije voet voor appellant op € 0,- heeft vastgesteld.
De Svb en de rechtbank hebben terecht geen oordeel gegeven over de stellingen van appellant dat de gemeente te veel onroerendezaakbelasting blijft heffen en dat het incassobureau de door de gemeente overgedragen bevoegdheden te buiten is gegaan. Die stellingen gaan namelijk over de rechtmatigheid van het beslag. De rechtmatigheid van het beslag kan niet door de Svb of de Raad worden beoordeeld, zoals onder 4.7.1 uiteengezet. Appellant kan zijn standpunt over de rechtmatigheid van het beslag in een procedure voor de civiele rechter naar voren brengen.
Appellant heeft ten slotte nog gewezen op uitspraken van de Raad op het terrein van de Participatiewet en de Algemene nabestaandenwet. In die uitspraken stonden echter geheel andere besluiten centraal, waarvoor niet het beperkte toetsingskader zoals hierboven uiteengezet geldt. De verwijzing naar die uitspraken kan appellante in deze procedure daarom niet baten.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit tot inhouding van een bedrag van € 472,26 op het AOW-pensioen van appellant in de maand maart van 2023 in stand blijft.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
(getekend) A. Hoogenboom
(getekend) S. Ploum
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Invorderingswet 1990
Artikel 19, eerste lid, eerste volzin
Een derde op wie de belastingschuldige een vordering heeft of uit een reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, is op vordering van de ontvanger gehouden de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen voor zover een en ander vatbaar is voor beslag.
Artikel 19, achtste lid, eerste volzin
De ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.