Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 juli 2024, 23/1382 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 december 2025
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 24 september 2025 een tussenuitspraak gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 23 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hierop een zienswijze gegeven.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 23 oktober 2025, waarbij appellante met ingang van 17 maart 2022 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht, is het Uwv alsnog volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen. Dat brengt mee dat, nu appellante het hoger beroep niet heeft ingetrokken, het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het procesbelang ontbreekt.
Omdat het Uwv appellante na het instellen van beroep en hoger beroep tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke kosten die zij gemaakt heeft voor de door mr. M.B. Tol verleende rechtsbijstand. Appellante heeft hiertoe op 27 februari 2025 verschillende facturen ingebracht van Berttol Bureau Arbeidsrecht. Bij elkaar opgeteld verzoekt appellante om vergoeding voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 4650,15. Verder is verzocht om vergoeding van de gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting van 26 februari 2025 in hoger beroep en om vergoeding van de gemaakte kosten voor de door haar voor een expertise ingeschakelde verzekeringsarts H.P. Balk tot een bedrag van € 2.286,90.
De kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift door F. Olthof, nadien opgevolgd door mr. Tol en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-), in totaal € 3.628,-. Voor een vergoeding van de – beduidend hogere – werkelijke kosten als door appellante gevorderd bestaat geen basis.
Voor de werkzaamheden van verzekeringsarts Balk, verbonden aan het rapport van 20 november 2023 dat in beroep is ingebracht, heeft appellante verzocht om vergoeding tot een bedrag van € 2.286,90. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking.
De reiskosten van appellante voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 20,- op basis van openbaar vervoer tweede klasse.
De kosten worden in hun totaliteit begroot op € 5.934,90.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 5.934,90;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en A.I. van der Kris en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
(getekend) E. Dijt
(getekend) H.A. Baars