SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2025, 24/1479 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 december 2025
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 1 oktober 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om zijn eigen werk te verrichten zodat hij onveranderd recht had op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 oktober 2025. Voor appellant is mr. Willering verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. van Piggelen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker schoonmaak op twee werklocaties. Hij heeft zich per 21 juni 2023 ziekgemeld bij zijn ex-werkgever. Appellant heeft tweemaal het spreekuur bezocht van een bedrijfsarts. Deze arts heeft appellant per 1 oktober 2023 geschikt geacht voor zijn laatste werk. Met een besluit van 1 november 2023 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellant per 1 oktober 2023 beëindigd.
Bij besluit van 28 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Volgens de rechtbank wordt in deze procedure niet de huidige gezondheidstoestand van appellant beoordeeld, maar zijn gezondheidstoestand op 1 oktober 2023, de datum met ingang waarvan zijn ZW-uitkering is beëindigd. Appellant heeft niet betwist dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hem heeft onderzocht. Appellant heeft gesteld dat de opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport dat het onderzoek 75 minuten duurde niet klopt, maar de rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook naar de stukken van de bedrijfsarts en huisarts gekeken en heeft meegenomen dat appellant in het ziekenhuis in Amstelveen is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport vermeld dat appellant op 1 oktober 2023 belastbaar is en daarmee zijn eigen werk kan verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarvoor verschillende redenen gegeven. Appellant heeft al jaren klachten aan de rechterschouder en rug, en rookt dagelijks een pakje sigaretten. Daarmee heeft hij altijd kunnen werken. Appellant heeft geen medisch objectiveerbare gegevens, bijvoorbeeld stukken van een andere arts, ingebracht die duiden op een evidente verslechtering in zijn medisch beeld. Het volgen van fysiotherapie en het slikken van pijnmedicatie betekent niet dat de klachten van appellant ernstiger zijn dan in het rapport is vermeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant lichamelijk onderzocht en uit dat onderzoek kwam naar voren dat hij geen bewegingsbeperkingen en atrofie heeft, wat duidt op een normaal gebruik van armen en handen.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat appellant op 1 oktober 2023 geen beperkingen had die een belemmering vormden voor het verrichten van zijn eigen arbeid.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat hij niet goed onderzocht is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hij is van mening dat hij zijn eigen werk als schoonmaker niet kan uitoefenen vanwege last van zijn rechterschouder en voeten. In zijn rechterschouder is kalkophoging ontstaan waardoor hij deze niet kan bewegen. Appellant heeft een afspraakbevestiging van 18 april 2025 bij AMC poli neurologie en een verslag van een arts van 12 februari 2025 overgelegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen (medische) gegevens overgelegd die aanleiding geven voor een andersluidend oordeel dan het oordeel van de rechtbank.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) D.M.A. van de Geijn