ECLI:NL:CRVB:2025:1839

ECLI:NL:CRVB:2025:1839, Centrale Raad van Beroep, 17-12-2025, 24/2627 WW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer 24/2627 WW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2024:10041

Samenvatting

Toekennen faillissementsuitkering. Beroep gegrond. Het Uwv is terecht uitgegaan van het loon over de maanden november en december 2022 maar heeft ten onrechte geen rekening gehouden met structureel gemaakte extra uren. De Raad draagt het Uwv op een nieuwe berekening te maken waarbij rekening wordt gehouden met de structureel gewerkte overuren. Vergoeding proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2024, 23/8461 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 december 2025

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv op een juiste wijze toepassing heeft gegeven aan hoofdstuk IV van de WW bij het overnemen van de betalingsverplichtingen van de exwerkgever van appellant. Appellant meent dat het Uwv de faillissementsuitkering op een onjuiste wijze heeft berekend en dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met de daadwerkelijk gewerkte uren. De Raad volgt het standpunt van appellant en komt tot het oordeel dat het Uwv op een onjuiste wijze de betalingsverplichtingen van de ex-werkgever heeft overgenomen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant is door mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 27 mei 2025 heeft mr. Ergec zich als gemachtigde onttrokken.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2025. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant is op 1 maart 2020 in dienst getreden bij [naam ex-werkgever B.V.] (ex-werkgever) als taxichauffeur. De ex-werkgever heeft op 8 november 2022 een ontslagaanvraag ingediend voor appellant vanwege bedrijfseconomische redenen.

Op 27 december 2022 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van de ex-werkgever over te nemen wegens betalingsonmacht (faillissementsuitkering). Op 1 januari 2023 is appellant in dienst getreden bij [naam B.V.]

Bij besluit van 16 mei 2023 heeft het Uwv appellant een bedrag van in totaal € 5.415,30 bruto aan faillissementsuitkering toegekend. Dit betreft een bedrag van € 3.279,90 aan loon over de periode 1 november 2022 tot en met 31 december 2022, € 323,82 aan vakantietoeslag over de periode van 1 november 2022 tot en met 31 december 2022, € 1.260,72 voor 86,42 vakantie-uren en € 100,86 aan vakantietoeslag over de vakantiedagen.

Bij besluit van 8 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het vaststellen van de hoogte van de faillissementsuitkering onder meer moet worden gekeken naar het loon, vakantiegeld en naar eventuele vakantiedagen die appellant tegoed had van de ex-werkgever. Daarbij zijn de gegevens in de polisadministratie leidend en daarvan kan niet worden afgeweken. Verder heeft het Uwv gesteld dat de periode waarover het loon kan worden overgenomen is beperkt tot maximaal dertien weken voordat de opzegtermijn begon. In het geval van appellant is dit de periode van 8 september 2022 tot en met 7 december 2022. Tot slot heeft het Uwv gesteld dat de overuren uit 2022 niet kunnen worden vergoed, omdat uit de stukken niet valt op te maken dat appellant in de 26 weken voor 1 november 2023 overuren heeft gemaakt.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen het loon en de overuren over de periode van 16 maart 2020 tot 10 augustus 2020 niet worden uitbetaald, omdat dit buiten de te berekenen periode van dertien weken valt. Verder is het Uwv volgens de rechtbank terecht uitgegaan van de juistheid van de gegevens uit de polisadministratie over de maanden november en december 2022. Volgens de rechtbank heeft appellant niet nader onderbouwd waarom sprake is van een onjuiste berekening of aangetoond dat sprake was van onjuiste gegevens. Volgens de rechtbank komen alleen de overuren in de periode november en december 2022 in aanmerking voor vergoeding. Het is volgens de rechtbank uit de salarisspecificaties niet gebleken dat in deze periode overuren zijn gemaakt, wat correspondeert met de ziekmelding van appellant per 3 oktober 2022. Volgens de rechtbank heeft appellant nagelaten te onderbouwen of aan te tonen hoe de extra uren, die staan vermeld op de loonstroken van 2022, zich vertalen in overuren, in hoeverre sprake is van een structureel component en welke gevolgen die zou moeten hebben voor de berekening van de uitkering, nu het Uwv is uitgegaan van een uitbetaling van 100% van het loon van appellant ondanks zijn ziekte. Tot slot heeft het Uwv volgens de rechtbank de vakantie-uren van appellant over de maanden november en december 2022 op juiste wijze berekend. Dat betekent dat de aan appellant verstrekte uitkering vanwege betalingsonmacht van de ex-werkgever op grond van de WW juist is berekend. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van appellant op het evenredigheidsbeginsel en de dringende reden evenmin.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat de faillissementsuitkering op een onjuiste wijze is berekend. Volgens appellant heeft het Uwv de overuren over 2021 en 2022, het loon over de periode van 16 maart 2020 tot 10 augustus 2020 en de ontslagpremie ten onrechte niet uitbetaald. Appellant meent dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met de daadwerkelijk gewerkte uren. Appellant wijst daarbij op artikel 7:610b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Appellant doet verder een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Volgens appellant is sprake van een situatie van maatschappelijke onaanvaardbaarheid.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de faillissementsuitkering van € 5.415,30 bruto in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is de periode waarover het Uwv het loon vergoedt ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking. In artikel 64, eerste lid, aanhef en onder b, is bepaald over welke periode van de opzegtermijn het recht op uitkering wordt berekend.

Niet in geschil is dat de ex-werkgever op 8 november 2022 een ontslagaanvraag heeft ingediend en tot 1 november 2022 loon heeft uitbetaald aan appellant. Het Uwv heeft de fictieve datum van opzegging vastgesteld op 8 december 2022. De opzegtermijn van appellant liep tot 31 december 2022, omdat appellant op 1 januari 2023 in dienst is getreden bij zijn nieuwe werkgever. Het Uwv is daarom voor de periode, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onder a en b, van de WW terecht uitgegaan van 1 november 2022 tot en met 31 december 2022. Het Uwv heeft terecht het loon over de periode van 16 maart 2020 tot en met 10 augustus 2020 niet overgenomen, omdat dit, gelet op artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW, buiten de periode valt waarover de betalingsverplichtingen kunnen worden overgenomen.

Het Uwv heeft aan appellant loon uitgekeerd over de maanden november en december 2022. Volgens artikel 7:610b van het BW wordt, als een arbeidsovereenkomst tenminste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Het Uwv heeft ter zitting erkend dat bij het over te nemen loon op grond van artikel 64 van de WW over de maanden november en december 2022 ten onrechte geen rekening is gehouden met structureel gemaakte extra uren, zodat de omvang van het dienstverband waarover het Uwv het loon als uitkering heeft betaald, te laag is vastgesteld. Uit de polisadministratie blijkt immers dat appellant in de maanden voorafgaand aan november en december 2022 structureel extra uren heeft gewerkt. Gelet hierop dient het Uwv het over te nemen loon over de maanden november en december 2022 opnieuw te berekenen, rekening houdend met de structureel gemaakte extra uren die tot een grotere omvang van het dienstverband hebben geleid en een nieuwe beslissing omtrent de faillissementsuitkering te nemen. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellant.

De stelling van appellant dat het Uwv ten onrechte de ontslagpremie (waarmee naar de Raad begrijpt bedoeld is een transitievergoeding) niet heeft uitgekeerd, volgt de Raad niet. De transitievergoeding valt niet onder de uitkering zoals omschreven in artikel 64, eerste lid, van de WW. Volgens artikel 7:673c, eerste lid, van het BW is een transitievergoeding overigens ook niet verschuldigd als de werkgever in staat van faillissement is verklaard.

Ook het beroep van appellant op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet. Appellant heeft nagelaten deze beroepsgrond nader te onderbouwen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan ook niet slagen, omdat het overnemen van betalingsverplichtingen, zoals neergelegd in hoofdstuk IV van de WW, een gebonden bevoegdheid betreft en geen aanleiding bestaat hiervan af te wijken. Dit geldt eveneens voor het beroep op de dringende reden. De regeling van hoofdstuk IV van de WW kent geen mogelijkheid om bij dringende redenen af te wijken van het wettelijk systeem.

Conclusie en gevolgen

6. Uit overweging 5.5 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep zal alsnog gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd, voor zover daarbij bij het over te nemen loon over de maanden november en december 2022 geen rekening is gehouden met structureel gewerkte overuren. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Het Uwv zal daarom binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad.

7. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor de verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, met een waarde van € 907,- per punt), in totaal € 2.721,-. Ook wordt bepaald dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 november 2023 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover daarbij bij het over te nemen loon over de maanden november en december 2022 geen rekening is gehouden met de structurele overuren van appellant in de periode daarvoor;

- draagt het Uwv op binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.721,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 188,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en G.C. Boot en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.M. Snellenberg

Bijlage: voor deze uitsprak belangrijke wettelijke regels

Artikel 64, eerste en tweede lid, van de WW

1. Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk wordt per kalendermaand berekend en omvat:

a. het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan:

1°. de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;

2°. de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt;

3°. de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of

4°. de dag van opzegging van de dienstbetrekking;

b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; en

c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.

2. Ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, geldt dat het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk het loon omvat over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van het UWV redelijkerwijs had moeten worden beëindigd of opgezegd, indien de dienstbetrekking niet of op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is beëindigd of opgezegd.

Artikel 67 van de WW

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt:

a. onder loon verstaan: al hetgeen de werkgever in verband met de dienstbetrekking aan de werknemer rechtens verschuldigd is met uitzondering van vakantiegeld en vakantiebijslag;

b. onder vakantiegeld en vakantiebijslag ook verstaan: vakantiebonnen, vakantiezegels en andere dergelijke waardepapieren; en

c. onder werknemer ook verstaan: de persoon die uitsluitend omdat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of ouder is niet als werknemer wordt beschouwd.

Artikel 7:610b van het BW

Indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?