OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant is werkzaam geweest als chauffeur/assistent loods voor 59,08 uur per week. Op 2 augustus 2021 is hij vanwege psychische klachten voor dit werk uitgevallen. Met ingang van 1 februari 2022 is aan hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Na een medisch onderzoek is appellant hersteld verklaard per 8 april 2022 en is de ZW-uitkering beëindigd per die datum. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na onderzoek geconcludeerd dat het eigen werk vanwege de fysieke als psychische belasting niet geschikt is voor appellant. Vervolgens is de ZW-uitkering voortgezet.
Bij besluit van 25 juli 2023 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 31 juli 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 november 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 25 oktober 2023 een herziene Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarin aanvullende beperkingen zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van deze FML een aantal functies laten vervallen en heeft, na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem functies daarvoor in de plaats gesteld en geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 juli 2023 onveranderd minder is dan 35%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om te oordelen dat de medische beoordeling onjuist is geweest. De verschillende klachten van appellant zijn door de (verzekerings)artsen vertaald naar beperkingen in de FML. Appellant heeft niet met nieuwe medische informatie aannemelijk gemaakt dat de (verzekerings)artsen zijn beperkingen hebben onderschat Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv bij appellant aangenomen beperkingen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat appellant de geselecteerde functies niet zou kunnen vervullen.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft aangevoerd dat het Uwv de bij hem bestaande slaap-, eet- en psychische problematiek heeft onderschat.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Appellant heeft nadere stukken overgelegd. Naar aanleiding van deze stukken heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar van 7 maart 2025 genomen waarin het bezwaar van appellant gegrond is verklaard en aan appellant alsnog met ingang van 31 juli 2023 een WIA-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 72,73%. Hieraan liggen een rapport van 25 februari 2025 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van gelijke datum, en een rapport van 5 maart 2025 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Na de zitting zijn door partijen nog stukken overgelegd met betrekking tot de door appellant sinds augustus 2024 gevolgde slaaptherapie en de aan appellant toegekende WGAvervolguitkering per 15 december 2024.
Het oordeel van de Raad
Besluit van 22 november 2023
Het Uwv heeft op 7 maart 2025 een nieuw besluit genomen waarbij het bezwaar van appellant tegen het bestreden besluit van 22 november 2023 alsnog gegrond is verklaard en het Uwv aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 72,73%. Met het besluit van 7 maart 2025 heeft het Uwv het bestreden besluit niet langer gehandhaafd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten, dient te worden vernietigd en dat het beroep van appellant tegen dit besluit alsnog gegrond moet worden verklaard.
Besluit van 7 maart 2025
Gelet op de door appellant ter zitting gedane mededeling dat hij zich wel kan vinden in het besluit van 7 maart 2025 behoeft dit besluit geen beoordeling.
Conclusie en gevolgen
6. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en bestreden besluit van 22 november 2023 worden vernietigd.
Schadeverzoek
7. Appellant heeft de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden, bestaande uit materiele en immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van het, niet meer door het Uwv gehandhaafde, bestreden besluit. Appellant is verzocht zijn verzoek nader te onderbouwen. Daarop heeft appellant, ook niet na rappel, niet gereageerd. Omdat appellant de door hem gestelde schade niet aannemelijk heeft gemaakt, zal het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.
Proceskosten en griffierecht
8. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Wel dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 november 2023 gegrond en vernietigt dit besluit;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 189,- vergoedt;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) S.P.A. Elzer