Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2022, 20/6967 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 17 december 2025
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 juni 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
Het onderzoek is na de zitting heropend.
De Raad heeft prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 12 maart 2025 een rapport uitgebracht. Appellante heeft een zienswijze ingediend.
Het Uwv heeft op 9 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig is aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft op dit verzoek geen verweer gevoerd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met het besluit van 9 september 2025 volledig aan haar bezwaren is tegemoetgekomen.
Omdat het Uwv de kosten in bezwaar reeds heeft vergoed, moet de Raad nog slechts oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt) en € 2.267,50 in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de zienswijze op het deskundigenrapport, met een waarde van € 907,- per punt), in totaal € 4.081,50.
Verder moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) M.D.F. de Moor