BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Datum uitspraak: 10 december 2025
Zitting heeft: D. Hardonk-Prins, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: L. van Beelen
Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. I.E. Mussche en I.V.O. Bouten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Wijnekus.
1. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
2. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
3. Het college heeft met een besluit van 22 juli 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 september 2024, de aanvraag van verzoekster voor maatwerkvoorzieningen voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) afgewezen. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 10 oktober 2025, 24/8482 (aangevallen uitspraak), het beroep van verzoekster ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft verzoekster zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.
5. Als hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang.
6. De gestelde (verwachte) financiële problemen, waardoor verzoekster een financieel belang zou hebben bij de door haar gewenste uitkomst in de bodemprocedure, zijn in dit geval niet zo zwaarwegend dat de behandeling ter zitting in de bodemprocedure en het definitieve oordeel in de uitspraak in die bodemprocedure niet afgewacht zouden kunnen worden. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat financiële redenen als hier gesteld niet snel aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening, ook gelet op het restitutierisico. Voor dit door verzoekster gestelde belang hoeft niet te wijken het belang van het college om geen (voorschot op een) pgb te verstrekken zolang niet in rechte vaststaat dat het college gehouden is de gewenste maatwerkvoorzieningen in de vorm van een pgb te verstrekken. Ook anderszins is niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat de bodemprocedure binnen afzienbare tijd, naar verwachting op 16 april 2026, ter zitting zal worden behandeld. Daarnaast heeft het college toegezegd op zo kort mogelijke termijn een medisch onderzoek te zullen instellen naar aanleiding van de nieuwe melding die verzoekster inmiddels heeft gedaan. Bij dit onderzoek zal een andere arts worden betrokken dan de artsen die het college tot op heden bij Wmoaanvragen van verzoekster heeft geraadpleegd.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzieningenrechter
(getekend) L. van Beelen (getekend) D. Hardonk-Prins