OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Wat verzoeker heeft aangevoerd komt erop neer dat hij meent dat de behandelend rechter, die ook op het eerste herzieningsverzoek heeft beslist, niet objectief en onpartijdig over het tweede herzieningsverzoek kan oordelen, omdat het tweede herzieningsverzoek berust op “grof plichtsverzuim” van de behandelend rechter bij de beoordeling van het eerste herzieningsverzoek. Dit is een verwijt dat volgens verzoeker per definitie de objectiviteit en onpartijdigheid van de rechter in twijfel trekt. Indien de behandelend rechter het tweede herzieningsverzoek wel beoordeelt, zou zij daarmee in strijd handelen met het beginsel dat niemand rechter is in eigen zaak en met het recht op een onpartijdig gerecht.
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.3.2. Verder is vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak van verzoeker een hem onwelgevallige uitspraak heeft gedaan niet kan worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat het grof plichtsverzuim dat hij de behandelend rechter verwijt, er in zit dat de behandelend rechter de medische informatie, die verzoeker in het hoger beroep had meegezonden en volgens hem ten onrechte niet bij de beoordeling van dat hoger beroep is betrokken, niet alsnog bij de beoordeling van het eerste herzieningsverzoek heeft betrokken. Gelet op wat is overwogen onder 3.2 kan dat niet tot toewijzing van het verzoek om wraking leiden. Dat de behandelend rechter in het kader van het tweede herzieningsverzoek rechter in eigen zaak zou zijn, kan de Raad verder niet volgen. Bij de beoordeling van het tweede herzieningsverzoek gaat het, net als bij de beoordeling van het eerste herzienigsverzoek, om de vraag of verzoeker feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die, bezien binnen het kader van artikel 8:119 van de Awb, kunnen leiden tot herziening van de oorspronkelijke uitspraak. De behandelend rechter is daarbij geen partij en verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een zwaarwegende aanwijzing is voor vooringenomenheid van de behandelend rechter.
4. Het voorgaande betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) C.M. Snellenberg