Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum beslissing: 11 december 2025
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2025, 25/1289 en 25/1290, in een geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Groningen. Verzoeker heeft tevens verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Het verzoek om voorlopige voorziening en het hoger beroep zijn op 29 september 2025 ter zitting behandeld door M.A.H. van Dalen-van Bekkum (behandelend rechter).
Bij brief van 1 oktober 2025 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter.
De behandelend rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 30 oktober 2025. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Verzoeker heeft na de zitting op 30 oktober 2025 verzocht om wraking van de wrakingskamer. Op 1 december 2025, 25/858 WMO-W2-PV en 25/1571 WMO-W2-PV, heeft een nieuwe wrakingskamer, met T. Dompeling als voorzitter en C.W.C.A. Bruggeman en E.A. Akkerman als leden, het verzoek om wraking van de wrakingskamer afgewezen.
OVERWEGINGEN
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de Raad geen uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing vormt dat de behandelend rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, of dat een daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De behandelend rechter heeft verzoeker tijdens de zitting, met het oog op de toekomst, slechts gezegd dat het belangrijk is dat hij op zijn nieuwe woonplek niet in de moeilijkheden komt. Van een ‘veroordeling’ door de behandelend rechter zonder oog te hebben voor het door hem aangedragen tegenbewijs is geen sprake. Dat de behandelend rechter het college er niet van heeft weerhouden om in een andere zaak dan de onderhavige een door het college nader genomen besluit aan het dossier toe te voegen, levert evenmin een zwaarwegende aanwijzing op zoals hiervoor bedoeld. Het staat het college namelijk vrij om stukken, zoals nader genomen besluiten, aan de Raad te sturen. De stelling dat de behandelend rechter heeft geoordeeld over verzoeken om doorbreking van het appelverbod mist tot slot feitelijke grondslag. Verzoeken om doorbreking van het appelverbod maken, zoals ook al in de uitnodiging voor de zitting van 29 september 2025 was vermeld, geen deel uit van de procedure.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
De beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.C.E. Marechal als leden, in tegenwoordigheid van N El. Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
De griffier De voorzitter
(getekend) N El. Khabazi (getekend) E.J.M. Heijs