SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 juli 2024, 22/3788 PW-G
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)
Datum uitspraak: 16 december 2025
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Verzoekster heeft redenen aangevoerd waarom de Raad zijn eerdere uitspraak moet herzien. Verzoekster krijgt geen gelijk. Wat zij heeft aangevoerd zijn geen feiten of omstandigheden die maken dat de eerdere uitspraak moet worden herzien. Daarom wijst de Raad het verzoek af.
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft [X] verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2465.
Het college heeft een reactie ingediend.
Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 november 2025. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door Kamp en A.M. Taconis. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Het college heeft in de besluitvorming, die uiteindelijk heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht en voor zover hier van belang, aan verzoekster bijstand toegekend, haar aangemerkt als marginaal zelfstandige, bepaald dat de omzet volledig op de bijstand in mindering moet worden gebracht, in dat kader onder andere een bedrag van € 300,- op de bijstand in mindering gebracht en verzoekster een administratieverplichting voor haar stichting opgelegd.
De rechtbank heeft de besluitvorming in stand gelaten voor zover dit ziet op onder meer het niet verrekenen van verwervingskosten, het in mindering brengen van het bedrag van € 300,- en het opleggen van de verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie voor de stichting.
Met de uitspraak van 16 juli 2024, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het standpunt van verzoekster
2. Wat verzoekster ter onderbouwing van haar herzieningsverzoek naar voren heeft gebracht wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
3. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat om de onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad van 16 juli 2024 te herzien. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die verzoekster in haar verzoek om herziening heeft aangevoerd, de herzieningsgronden. De Raad is van oordeel dat geen aanleiding bestaat die uitspraak te herzien. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het verzoek belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Herziening kan dus alleen plaatsvinden als er feiten en omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, die verzoekster niet bekend waren en ook niet bekend konden zijn en – als ze voor de uitspraak wel bekend zouden zijn geweest – tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden.
Verzoekster heeft ten eerste aangevoerd dat de Raad in de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht ten onrechte heeft geoordeeld dat verzoekster een bedrag van € 300,- dat is bijgeschreven op de bankrekening van haar onderneming, heeft doorgesluisd naar de bankrekening van haar stichting. Dit volgt namelijk uit wat er in rechtsoverweging 1.5.5 staat. Daardoor lijkt het erop dat zij aan witwassen heeft gedaan. Zoals het nu in de uitspraak staat, zou het er toe kunnen leiden dat het college het andere bedrag van € 300,- dat op de bankrekening van de stichting is overgemaakt ook alsnog als inkomsten op de bijstand in mindering gaat brengen. Het gaat echter om een ander bedrag dat verzoekster vanaf haar privé-bankrekening aan de stichting heeft overgemaakt en niet om het bedrag dat op de bankrekening van haar onderneming was bijgeschreven. Deze grond slaagt niet.
De Raad heeft in de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht het besluitonderdeel, dat de € 300,- die op de bankrekening van de onderneming van verzoekster was bijgeschreven op de bijstand in mindering moet worden gebracht, onbesproken gelaten. Dat onderdeel van de besluitvorming was in hoger beroep ook niet meer in geschil. In de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht is in rechtsoverweging 1.5.5 het standpunt van het college weergegeven en niet het oordeel van de Raad. Uit deze uitspraak blijkt uit rechtsoverwegingen onder 1 (feiten en omstandigheden) en 4 (beoordeling) niet dat de Raad heeft geoordeeld dat verzoekster het bedrag van € 300,- van haar onderneming vervolgens naar haar stichting heeft doorgesluisd en dat sprake is van witwassen. De grond mist dus feitelijke grondslag en slaagt daarom al niet.
Verzoekster heeft verder aangevoerd dat haar in rechtsoverweging 4.3 van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht ten onrechte wordt verweten dat zij geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden. Zij heeft alle administratieve stukken in de vorm van volledige en transparante bankafschriften ingediend, zodat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Deze grond slaagt ook niet.
Uit de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht blijkt niet dat de Raad heeft geoordeeld dat verzoekster de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden of een ondeugdelijke administratie heeft overgelegd. Ook deze grond mist dus feitelijke grondslag en kan daarom al niet slagen.
Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de gemeenteraad van de gemeente [woonplaats] op 28 mei 2025 een motie unaniem heeft aangenomen waarin is bepleit dat bijstandsgerechtigden die parttime in loondienst zijn en bijstandsgerechtigden die parttime als zelfstandige werken door middel van aangepast beleid, althans een verordening, zoveel mogelijk gelijk behandeld moeten worden, in die zin dat bij beiden de inkomsten – kort gezegd – netto op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Verzoekster heeft aangevoerd dat als de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal eerder overleg had gevoerd met het college, het college zijn beleid destijds al zou hebben aangepast en over de verwervingskosten van verzoekster een ander standpunt zou hebben ingenomen. Deze grond slaagt ook niet.
De motie dateert van ná de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht en is daarom niet aan te merken als een feit dat heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak. De door verzoekster geschetste situatie dat het college tot een ander standpunt zou zijn gekomen, had zich destijds nog niet voorgedaan. Daarom is geen sprake van een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
Verzoekster heeft ten slotte aangevoerd dat in de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht wat betreft de verwervingskosten ten onrechte niet is gekeken naar het bepaalde in artikel 31, derde lid, van de Participatiewet. Deze grond slaagt ook niet.
Verzoekster heeft hiermee geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb aangevoerd, maar een juridisch betoog, dat zij overigens ook al eerder in de procedure had aangevoerd. Het verzoek komt er in zoverre op neer dat zij een hernieuwde discussie wil voeren over de inhoud van de zaak en de uitspraak van 16 juli 2024. Uit 3.1 volgt dat het bijzondere middel van herziening daartoe geen ruimte biedt.
Conclusie en gevolgen
Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van 16 juli 2024 in stand blijft.
4. Verzoekster krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.E. Marechal als leden, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:119, eerste lid De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.