ECLI:NL:CRVB:2025:206

ECLI:NL:CRVB:2025:206, Centrale Raad van Beroep, 05-02-2025, 20/4445 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-02-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/4445 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 3 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0019057

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Verzoek om immateriële schadevergoeding en wettelijke rente

Appellante heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade als gevolg van de besluiten van 4 september 2018 en 16 januari 2020 wegens de impact van de procedure en door het Uwv gemaakte fouten.

Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

Appellante heeft gesteld dat in haar geval sprake is geweest van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij zij heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 21 december 2023.

Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019 en 19 juli 2019).

Met het Uwv is de Raad van oordeel dat appellante niet met concrete gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat bij haar sprake is van geestelijk letsel. De door appellante genoemde onzekerheid en stress die deze procedure heeft meegebracht, is daarvoor onvoldoende. Verder is in dit geval geen sprake van een zodanige normschending door de besluitvorming van het Uwv dat op grond daarvan een aantasting in de persoon moet worden aangenomen. Het enkele feit dat appellante in de periode van september 2018 tot mei 2021 in onzekerheid heeft verkeerd over haar uitkering en een verlaagde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen had, terwijl zij achteraf bezien recht had op een IVA-uitkering, is daartoe onvoldoende. In zoverre komt het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade niet voor toewijzing in aanmerking.

Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van 25 januari 2012.

Verzoek om schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geldt het volgende.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt.

Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante op 16 oktober 2018 tot de datum van het tegemoetkomende besluit van 3 april 2024 zijn vijf jaar en (naar boven afgerond) zes maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is dan ook met achttien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het bestreden besluit van 16 januari 2020 vijftien maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn met negen maanden is overschreden. Voorts is sprake van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase nu deze meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is dus zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase geschonden. Voor berekening van het bedrag van de schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. In dit geval betekent dit dat zowel het Uwv als de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 750,- (9/18 deel van € 1.500,-).

Proceskosten

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met het nieuwe besluit op bezwaar van 3 april 2024 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Van in bezwaar gemaakte kosten is niet gebleken, zodat de Raad moet oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.

Appellante heeft verzocht een integrale kostenvergoeding van € 28.100,- voor in beroep en in hoger beroep gedeclareerde advocatenuren toe te kennen. Daartoe bestaat geen aanleiding. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad dient bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding, betekenis te worden toegekend aan de vraag of appellante de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voorschrijft. Naar het oordeel van de Raad is hiervan geen sprake. Anders dan appellante heeft gesteld, is niet gebleken van ernstig onzorgvuldig handelen van het Uwv of van een hardnekkige houding van het Uwv waardoor appellante ter bestrijding van het standpunt van het Uwv in een positie is gebracht dat zij uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken. Dit betekent dat appellante met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand een forfaitaire vergoeding toekomt volgens de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Deze voor vergoeding in aanmerking komende kosten worden op grond van het Bpb begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en € 2.267,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor de reactie op het rapport van de deskundige, met een waarde per punt van € 907,-).

Daarnaast komen de door appellante gemaakte reiskosten voor vergoeding in aanmerking (€ 20,04 in beroep en € 53,68 in hoger beroep), tezamen € 73,72. Ook de kosten die appellante heeft gemaakt voor het laten opmaken van het rapport van Gerritze Medisch Advies tot een bedrag van in totaal € 2.094,64 komen voor vergoeding in aanmerking.

Er bestaat tevens aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 453,50 (0,5 punt, met een waarde per punt van € 907,-) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 226,75.

Het totale bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende door het Uwv te betalen proceskosten bedraagt hiermee € 6.476,61.

Griffierecht

5. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellante van de wettelijke rente als hiervoor weergegeven;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 750,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 750,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.476,61;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 226,75;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 179,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2025.

(getekend) E. Dijt

(getekend) M.D.F. de Moor

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?