ECLI:NL:CRVB:2025:488

ECLI:NL:CRVB:2025:488, Centrale Raad van Beroep, 18-03-2025, 23/920 PW-PV

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-03-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/920 PW-PV
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2023:769
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001941 BWBR0005537 BWBR0015703

Samenvatting

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. Kosten achterstallige huur. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van achterstallige huur vanaf 19 oktober 2020 terecht afgewezen, omdat appellant vanaf die datum geen huurder meer was in verband met sluiting van de woning.

Uitspraak

23. 920 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 februari 2023, 21/2043 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 18 maart 2025

Zitting hebben: P.W. van Straalen, A.M. Overbeeke en W.R. van der Velde

Griffier: C.C.M. van ’t Hol

Voor appellant is verschenen mr. A Darrazi, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Melsen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

De Raad heeft daags voor de zitting een nader stuk ontvangen van appellant. Dit stuk wordt geweigerd met als reden dat sprake is van strijd met de goede procesorde.

Appellant ontving bijstand van het college op grond van de Participatiewet (PW). Hij woonde op het adres X in [woonplaats] . Op 30 juli 2020 is appellant gearresteerd omdat in zijn woning een handelshoeveelheid amfetamine was aangetroffen. Van 30 juli 2020 tot en met 3 november 2020 was appellant gedetineerd. De burgemeester heeft de woning van appellant op grond van artikel 13b van de Opiumwet per 19 oktober 2020 gesloten voor de duur van zes maanden en de woningbouwvereniging heeft de huurovereenkomst met ingang van 19 oktober 2020 opgezegd.

Appellant heeft op 29 november 2020 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van achterstallige huur vanaf 19 oktober 2020. Hij is bij vonnis van 4 november 2020 door de strafrechter vrijgesproken en daarom is zijn woning ten onrechte gesloten. Als de beslissing van de burgemeester wordt teruggedraaid dan moet hij de achterstallige huur betalen, wil hij aanspraak op zijn woning behouden.

Het college heeft de aanvraag met een besluit van 29 december 2020 afgewezen. Na bezwaar heeft het college met een besluit van 1 april 2021 (bestreden besluit) de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Omdat de huurovereenkomst met ingang van 19 oktober 2020 was ontbonden was appellant met ingang van die datum niet langer huurder en was er volgens het college geen reden voor appellant om huur te betalen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat de woningbouwvereniging de huurovereenkomst per 19 oktober 2020 heeft ontbonden waardoor appellant vanaf deze datum niet langer huurder was en dus geen huur meer verschuldigd was. De aanmaningen van de woningbouwvereniging hebben geen betrekking op verschuldigde huur, maar op leegstands- dan wel mutatiekosten vanwege de sluiting van de woning door de burgemeester. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat het van belang is om huur te blijven betalen om aanspraak op de woning te behouden. De woning was gesloten voor de duur van zes maanden en appellant is geen procedure gestart tegen de ontruiming. Anders dan appellant meent, is er volgens de rechtbank voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen ruimte, omdat artikel 35, eerste lid, van de PW een verplichtend karakter heeft. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van 5 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:874.

3. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft hij eerder in bezwaar en beroep ook aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Hij voegt daaraan nog toe dat de Raad van State bij uitspraak van 7 februari 2024 heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was de woning van appellant voor de duur van zes maanden te sluiten.

4. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten en het griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer

(getekend) C.C.M. van ’t Hol (getekend) P.W. van Straalen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?