23/3491 WIA
Datum uitspraak: 14 mei 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 december 2023, 23/262 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv appellant per 29 augustus 2022 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv aan appellant terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 april 2025. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.C.M. Levels.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker voor 41 uur per week. Op 31 augustus 2020 heeft hij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. Nadat appellant bij het Uwv een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 juli 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 22 juli 2022 geweigerd appellant met ingang van 29 augustus 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 23 december 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek in bezwaar, gezien in combinatie met het onderzoek in de primaire fase, voldoende zorgvuldig verricht en kan het de conclusies dragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom een medisch onderzoek in bezwaar geen toegevoegde waarde had. Hierbij is van belang dat voldoende medische informatie in het dossier aanwezig was en in de primaire fase een fysiek spreekuur heeft plaatsgevonden door een verzekeringsarts met psychisch en lichamelijk onderzoek. Verder is van belang dat appellant in de bezwaarfase heeft aangegeven dat een hoorzitting in de gegeven omstandigheden geen toegevoegde waarde had, maar dat hij wel gebruik wilde maken van de mogelijkheid eventuele nadere stukken in te dienen. Uit vaste rechtspraak volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep er dan ook van mocht uitgaan dat appellant ook heeft afgezien van een medisch onderzoek. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben bovendien eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden uitgelegd hoe hun beoordeling tot stand is gekomen.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de fysieke klachten van appellant kenbaar bij de beoordeling betrokken en de informatie van de orthopedisch chirurg van 27 juni 2022 is gezien en gewogen. Niet gebleken is dat klachten zijn gemist of op een onjuiste wijze zijn uitgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat van een situatie van geen benutbare mogelijkheden geen sprake is en dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor een verdergaande urenbeperking. Appellant heeft geen stukken ingebracht op grond waarvan meer beperkingen kunnen worden aangenomen. Gelet op de beschikbare medische gegevens ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellant, zoals vastgelegd in de FML van 8 juli 2022, niet correct zijn vastgesteld.
Tot slot heeft de rechtbank vastgesteld dat de omschrijvingen van de geduide functies passen binnen de opgestelde FML. Voor zover de voorgehouden functies mogelijk, gezien de zogenoemde signaleringen, niet in overeenstemming zouden zijn met de vastgestelde belastbaarheid, is naar het oordeel van de rechtbank in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant.
Het standpunt van appellant
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat. Volgens appellant is zijn dagverhaal onvoldoende betrokken bij de beoordeling en is de informatie van de orthopedisch chirurg van 27 juni 2022 onvoldoende meegewogen. Ook heeft het Uwv ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Appellant stelt dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen om hem te onderzoeken omdat appellant hier niet de financiƫle middelen voor heeft. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat wat de rechtbank heeft overwogen over de hoorzitting onjuist is. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat alle geduide functies ongeschikt zijn omdat daarmee zijn belastbaarheid wordt overschreden en dat zijn belastbaarheid op ontoelaatbare wijze wordt gerelativeerd.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat dit zo is en dat het hoger beroep niet slaagt.
Appellant heeft in hoger beroep allereerst verwezen naar wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Het is aan appellant om in hoger beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom hij het niet eens is met de aangevallen uitspraak over het bestreden besluit. De verwijzing naar het bezwaar- en beroepschrift wordt niet als een gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in de aangevallen uitspraak.
Wat appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak uitgebreid gemotiveerd besproken en afgewezen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische of andere gegevens ingebracht die tot een ander oordeel leiden dan de rechtbank heeft gegeven. Er is daarom geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
Uit 4.2 volgt voorts dat er geen aanleiding bestaat een deskundige te benoemen. Het verzoek van appellant hiertoe wordt daarom afgewezen.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz