ECLI:NL:CRVB:2025:869

ECLI:NL:CRVB:2025:869, Centrale Raad van Beroep, 27-05-2025, 24/427 PW-PV

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 27-05-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24/427 PW-PV
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Hoger beroep tegen uitspraak op verzet. Geen doorbreking appèlverbod. Raad onbevoegd. Geen schadevergoeding ondanks overschrijding redelijke termijn. Geen financieel belang. Procederen over dwangsom. Nevenbeslissing. Er is hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak op verzet van de rechtbank. Hiertegen is geen hoger beroep mogelijk. Appellant heeft niet aangevoerd dat sprake is van schending van eisen van een goede procesorde of van fundamentele rechtsbeginselen, zodat geen grond bestaat voor doorbreking van het appèlverbod. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn terecht afgewezen. Appellant procedeerde slechts over de dwangsom. Dat is een nevenbeslissing, waarmee geen financieel belang is gemoeid. Volstaan wordt met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Uitspraak

24. 427 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2023, 21/5123 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 27 mei 2025

Zitting heeft: A.M. Overbeeke

Griffier: M. Ramanand

De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 mei 2025. Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. In de beslissing op bezwaar van 14 juli 2021 heeft het college de afwijzing van een verzoek om dwangsom in het besluit van 18 maart 2021 gehandhaafd. In de aangevallen uitspraak van 21 december 2023 heeft de rechtbank het verzet tegen de uitspraak van 12 januari 2023 ongegrond verklaard en het in verzet gedane verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijk termijn afgewezen.

2. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3. De ongegrondverklaring van het verzet is een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan hiertegen geen hoger beroep worden ingesteld. Voor doorbreking van dit zogenoemde appèlverbod kan grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.Appellant heeft niet aangevoerd dat sprake is van schending van eisen van een goede procesorde of van fundamentele rechtsbeginselen.

4. Nu hoger beroep tegen dit deel van de aangevallen uitspraak niet mogelijk is, zal de Raad zich in zoverre onbevoegd verklaren.

5. Appellant heeft ook hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarin het in verzet gedane verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijk termijn is afgewezen. De uitspraak valt in zoverre niet onder het appelverbod.

6. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn terecht afgewezen. Hierbij is het volgende van belang.

7. In zaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, wordt als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de rechter worden veroordeeld tot vergoeding van die schade, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht. De Hoge Raad heeft in belastingzaken, afgezien van geschillen over een bestuurlijke boete, tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden gerekend het geval dat het financiële belang bij een procedure zeer gering is. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

8. Bij het vaststellen van het financiële belang gaat het in het algemeen niet om een belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters zoals bijvoorbeeld beslissingen over de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Dat geldt ook indien in hogere instantie een dergelijke nevenbeslissing mede of uitsluitend in geschil is.

9. Appellant procedeerde slechts over de dwangsom, terwijl hij daarnaast in verzet een verzoek om schadevergoeding heeft gedaan. De Raad volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak van de rechtbank met bijna acht maanden is overschreden. De Raad komt hierdoor niet toe aan het bespreken van de beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat de schadevergoeding toekomt aan de gemachtigde van appellant. Omdat appellant geen schadevergoeding toekomt, heeft appellant geen recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek.

10. Het hoger beroep slaagt niet. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen. De rechtbank had echter moeten volstaan met de constatering dat de redelijke termijn met (afgerond) acht maanden is overschreden. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank daarom met verbetering van de gronden.

11. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Appellant krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) M. Ramanand (getekend) A.M. Overbeeke

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2025/215
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?