ECLI:NL:CRVB:2026:1002

ECLI:NL:CRVB:2026:1002

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 31-07-2026
Zaaknummer 24/518 AOW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Intrekking en terugvordering van AIO. De Svb heeft terecht de AIO op nihil vastgesteld. Het totale inkomen van appellant was hoger dan de voor hem geldende AIO-norm. Voor de vaststelling van het inkomen van appellant is de Svb terecht uitgegaan van zowel zijn AOW-pensioen als zijn Belgisch rustpensioen. De Svb heeft in hoger beroep laten weten dat de terugvordering niet langer wordt gehandhaafd.

Uitspraak

SAMENVATTING

24/518 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2024, 23/4349 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 7 juli 2026

In deze zaak gaat het om een intrekking en terugvordering van de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO) van appellant op de grond dat hij een ‘rustpensioen’ uit België ontvangt. Appellant voert aan dat dit pensioen niet bij zijn Nederlandse pensioen moet worden opgeteld, dat zijn inkomen niet hoger is dan de voor hem geldende AIO-norm en, hiermee samenhangend, dat de gegevens waarvan de Svb is uitgegaan niet juist zijn. Appellant krijgt hierin geen gelijk. De Svb heeft in hoger beroep laten weten dat de terugvordering niet wordt gehandhaafd. Om die reden wordt de aangevallen uitspraak vernietigd en krijgt hij een vergoeding voor zijn proceskosten in hoger beroep.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De Svb heeft met een brief van 1 mei 2026 laten weten het besluit van 13 februari 2023, voor zover dat ziet op de terugvordering, te herroepen, dat de terugvordering dus komt te vervallen en dat het door appellant afgeloste bedrag aan hem zal worden terugbetaald.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 mei 2026. Voor appellant is mr. Schreinemacher verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Met een besluit van 24 november 2020 heeft de Svb aan appellant een voorlopig pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend met ingang van 7 januari 2021 naar 92% van het ongehuwdenpensioen. Omdat appellant in de periode van 1 januari 1987 tot en met 31 december 1990 in België woonde en werkte, was appellant in die periode niet verzekerd voor de AOW. De Svb heeft op 23 november 2020 informatie over het in België opgebouwde pensioen opgevraagd bij de Federale Pensioendienst te Brussel (FPD). Appellant heeft vervolgens op 6 december 2020 AIO aangevraagd. Met een besluit van 7 januari 2021 heeft de Svb de AIO toegekend, over januari 2021 tot een bedrag van € 27,16 en vanaf februari 2021 tot een bedrag van € 33,69 per maand.

Met een besluit van 27 juni 2022 heeft de Svb de AIO van appellant vanaf juli 2022 vastgesteld op nihil (lees: ingetrokken vanaf 1 juli 2022) in verband met de voorlopige vaststelling van het Belgisch rustpensioen van appellant op € 46,24 per maand.

Met een besluit van 13 februari 2023 (besluit 1) heeft de Svb appellant definitief een AOW-pensioen toegekend vanaf 7 januari 2021 naar 92% van een ongehuwdenpensioen. Met een ander besluit van 13 februari 2023 (besluit 2) heeft de Svb de AIO van appellant over de periode van januari 2021 tot en met juni 2022 op nihil gesteld (lees: ingetrokken over de periode van 7 januari 2022 tot en met 30 juni 2022) en de over die periode gemaakte kosten van AIO van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 569,57. Met een ander besluit van 13 februari 2023 (besluit 3) heeft de Svb meegedeeld dat appellant vanaf 8 (lees: 7) januari 2021 geen recht op AIO heeft en dat hij € 569,57 teveel AIO heeft ontvangen.

Met een besluit van 14 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Volgens de van de FPD verkregen gegevens was de hoogte van het Belgisch rustpensioen van appellant in januari € 48,07 per maand, oplopend tot € 53,41 per maand. Dit pensioen was steeds hoger dan het bedrag aan AIO dat appellant in de periode van januari 2021 tot en met juni 2022 ontving. Daarom heeft hij geen recht op AIO.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van AIO in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt, voor zover het de intrekking betreft, maar wel voor zover het de terugvordering betreft. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Intrekking

Uit de pensioengegevens die de Svb van de FPD heeft ontvangen blijkt dat appellant in de periode waar het hier om gaat een Belgisch rustpensioen ontving van € 48,07 in januari 2021, oplopend tot € 54,48 in juni 2022.

Appellant voert aan dat het Belgisch rustpensioen niet bij zijn Nederlandse AOWpensioeninkomen moet worden opgeteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Voor de PW is het Belgisch rustpensioen een middel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de PW. In artikel 31, tweede lid, van de PW is bepaald welke inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen worden gerekend. Buitenlandse pensioenen worden hierin niet genoemd en zijn dus niet uitgezonderd van de in aanmerking te nemen middelen. Voor de vaststelling van het inkomen van appellant is de Svb dus terecht uitgegaan van zowel zijn AOW-pensioen als zijn Belgisch rustpensioen.

Verder heeft appellant aangevoerd – naar de Raad begrijpt: subsidiair – dat het inkomen van appellant niet hoger was dan de voor hem geldende AIO-norm en, hiermee samenhangend, dat de gegevens daarover die de Svb bij het verweerschrift heeft overgelegd niet juist zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Appellant heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat en in welk opzicht de gegevens waar de Svb van is uitgegaan – te weten de feitelijk door appellant ontvangen bedragen aan AOW en Belgisch rustpensioen in de periode van januari 2021 tot en met juni 2022 en het voor appellant geldende, in artikel 22,aanhef en onder a, van de PW genoemde normbedrag van de AIO in die periode – niet kloppen. Uit die gegevens blijkt dat in alle maanden in de periode waar het hier om gaat het totale inkomen van appellant hoger was dan de voor hem geldende AIO-norm.

Terugvordering

De Svb heeft in hoger beroep een nader standpunt ingenomen over de terugvordering, in die zin dat de terugvordering niet langer wordt gehandhaafd. De beroepsgronden die daarop betrekking hebben hoeven dus niet te worden besproken.

Conclusie en gevolgen

Gelet op 4.4 slaagt het hoger beroep en moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover het de terugvordering betreft en zelf in de zaak voorzien door besluit 2 en – voor zover nodig – besluit 3 in zoverre te herroepen.

5. Gelet op 4.5 krijgt appellant een vergoeding voor zijn in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant in bezwaar en beroep zelf heeft geprocedeerd. Hij krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet

Artikel 31, eerste en tweede lid (zoals deze bepalingen luidden vóór 1 januari 2026)

1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

a. de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon;

b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;

c. de jonggehandicaptenkorting;

d. tegemoetkomingen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

e. eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit;

f. vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van artikel 19 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend;

g. vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend;

h. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen;

i. rente ontvangen over op grond van artikel 34, tweede lid, onderdelen b en c, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;

j. een een- of tweemalige premie van ten hoogste € 3.326,00 per kalenderjaar, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;

k. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag;

l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;

m. giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn;

n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 278,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;

o. de eenmalige energietoeslag, bedoeld in artikel 35, vierde lid of een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 78ee, tweede lid;

p. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet;

q. een uitkering als bedoeld in artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet of een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:52 of 3:10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

r. inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 173,87 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt en onderdeel y, z of aa niet van toepassing is, ingeval:

1°. hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar,

2°. de periode van zes maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken, en

3°. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;

s. een vergoeding als bedoeld in artikel 18 van de Wet inburgering zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 14 november 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (33 086), nadat dat voorstel tot wet is verheven voorzover deze niet een vergoeding is als bedoeld in onderdeel f;

t. tegemoetkomingen op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, artikel 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 67i van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 3:75 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of artikel 24 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, zoals dat op 31 december 2013 luidde;

u. hetgeen een mantelzorger op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 als blijk van waardering ontvangt;

v. een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voor zover deze uitkering op grond van artikel 12 reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand;

w. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 78gg;

y. inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 176,35 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij onderdeel n van toepassing is;

z. inkomsten uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10d, eerste of tweede lid, van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 176,35 per maand, gedurende een periode van twaalf maanden nadat de periode van zes maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij onderdeel y van toepassing is;

aa. inkomsten uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10d, eerste of tweede lid, van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 176,35 per maand, nadat de periode van twaalf maanden, bedoeld in onderdeel z, is verstreken, voor zover hij algemene bijstand ontvangt en het college gelet op de in de persoon gelegen omstandigheden een uitbreiding van zijn arbeidsomvang niet mogelijk acht.

Artikel 47a (zoals dit artikel luidde vóór 1 januari 2026)

1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:

a. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;

b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;

hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

2. De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel 54, derde lid, tweede volzin

(…) Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 58, eerste lid

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand