Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2360 AW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 oktober 2024, 11218155\AR VERZ 24-44 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Waterschap Hunze en Aa's (waterschap)
Datum uitspraak: 27 mei 2025
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en heeft aanvullende stukken ingezonden.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland (kantonrechter) beslist op het verzoek van het waterschap van 18 juli 2024 tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen appellante en het waterschap. De kantonrechter heeft bij die uitspraak de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 december 2024. Daarbij heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat per 1 januari 2020 de Wnra in werking is getreden en dat als gevolg hiervan de ambtelijke aanstelling van appellante bij het waterschap van rechtswege is omgezet in een arbeidsovereenkomst naar civiel recht. De kantonrechter heeft zich daarom bevoegd geacht om van het ontbindingsverzoek kennis te nemen.
Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad. Daarbij heeft zij zich onder meer op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat dit geschil in de eerste plaats bestuursrechtelijk van aard is en dat daarom de bestuursrechter bevoegd is. Daarover overweegt de Raad het volgende.
Op grond van artikel 8:104, eerste lid, van de Awb kan hoger beroep worden ingesteld tegen de in dat artikellid vermelde uitspraken van de rechtbank. Het gaat hierbij uitsluitend om uitspraken van de bestuursrechter. In een hogerberoepsprocedure bij de bestuursrechter naar aanleiding van een uitspraak of beschikking van de civiele rechter is in de Awb niet voorzien. Appellante kan tegen de aangevallen uitspraak uitsluitend hoger beroep instellen bij de civiele rechter. In die procedure kan appellante de vraag aan de orde stellen of de kantonrechter zich terecht bevoegd heeft geacht om te beslissen op het ontbindingsverzoek van het waterschap. Uit het voorgaande volgt dat de Raad kennelijk onbevoegd is om van het door appellante ingestelde hoger beroep kennis te nemen, zodat daarop zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) P.W.J. Hospel
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.