SAMENVATTING
24/1157 PW, 24/1159 PW, 24/1160 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 maart 2024, 23/1972, 23/2519 en 24/1471 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Wat appellant in deze zaken uiteindelijk wil bereiken is een schadevergoeding in verband met besluiten van het college die ertoe hebben geleid dat hij geen bijstand kreeg uitbetaald. Appellant krijgt geen schadevergoeding. De betreffende besluiten zijn niet onrechtmatig.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 23 juni 2026. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Raja.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontving sinds 6 november 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.
Met een besluit van 4 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd met een beslissing op bezwaar van 2 februari 2016, heeft het college appellant meegedeeld dat de bijstand van appellant per 1 mei 2015 wordt geblokkeerd in verband met een onderzoek naar de verkoop van een perceel grond dat appellant in eigendom had. Het tegen die beslissing op bezwaar ingestelde beroep heeft de rechtbank met een uitspraak van 21 november 2016 nietontvankelijk verklaard. Appellant heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend.
Met een besluit van 8 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd met een beslissing op bezwaar van 30 maart 2017, heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken per 1 mei 2015 met als reden dat appellant over te veel vermogen beschikte. Met een uitspraak van 7 november 2017 heeft de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 30 maart 2017 gegrond verklaard voor wat betreft de intrekking over de periode van 1 mei 2015 tot 16 april 2016. De intrekking over die periode was niet toereikend gemotiveerd. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd voor zover die beslissing ziet op de periode 1 mei 2015 tot 16 april 2016 en de intrekking voor het overige in stand gelaten. Het college is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het hoger beroep van het college heeft niet geleid tot een uitspraak, omdat het college het hoger beroep heeft ingetrokken. Dat hield verband met het volgende. Met een emailbericht van 16 augustus 2018 heeft de advocaat van Weener XL, het Werk- en Ontwikkelbedrijf van de gemeente ’s-Hertogenbosch, appellant een schikkingsvoorstel gedaan. De toenmalige advocaat van appellant heeft dat voorstel met een e-mailbericht van 20 augustus 2018 namens appellant aanvaard. De schikking hield onder meer in dat het college het hoger beroep tegen de uitspraak van 7 november 2017 intrekt, het college aan appellant een bedrag van € 8.000,- betaalt en partijen elkaar over en weer volledige en finale kwijting verlenen.
Met een brief van 17 mei 2023 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend. In een brief van 27 juni 2023 heeft appellant desgevraagd geantwoord dat hij bezwaar maakt tegen de in 1.3 genoemde uitspraak van 7 november 2017. Met een beslissing op bezwaar van 24 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de uitspraak nietontvankelijk verklaard.
Met een brief van 18 augustus 2023 heeft appellant verzocht om uitbetaling van bijstand over de periode van 1 mei 2015 tot 16 april 2016. Met een brief van 7 september 2023 heeft appellant het college in gebreke gesteld omdat het college nog niet op zijn verzoek had beslist.
Met een besluit van 25 september 2023 heeft het college het verzoek om nabetaling opgevat als een verzoek om schadevergoeding en dat verzoek onder verwijzing naar de in 1.3.1 genoemde schikking afgewezen. Op 27 september 2023 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 18 augustus 2023.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit, de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar, in stand gelaten.
Het beroep niet tijdig beslissen heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft, net als het college, de brief van 18 augustus 2023 aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Tegen het niet beslissen op een dergelijk verzoek staat geen beroep niet tijdig beslissen open.
De rechtbank heeft tot slot een door appellant gedaan verzoek om schadevergoeding van € 25.000,- afgewezen. Appellant heeft daarom verzocht wegens de blokkering van zijn bijstand gedurende een periode van 40 maanden. Het oordeel van de rechtbank komt er in de kern op neer dat niet gebleken is van een onrechtmatig besluit.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de ontvankelijkheid van het bezwaar in stand heeft gelaten, het beroep niet tijdig beslissen nietontvankelijk heeft verklaard en het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat is er in geschil?
Appellant heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het college het bezwaar tegen de uitspraak van 7 november 2017 terecht nietontvankelijk heeft verklaard. Appellant heeft ook geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Het hoger beroep ziet daar dus niet op. Waar appellant ˗ mede gelet op wat tijdens de zitting van de Raad besproken is ˗ een oordeel over wil, is de vraag of het college met het niet uitbetalen van bijstand, zowel niet na de blokkering per 1 mei 2015, als niet na de intrekking met het besluit van 8 juli 2016 en na de uitspraak van 7 november 2017, onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Appellant vindt dat het niet betalen van bijstand onrechtmatig was en dat het college om die reden de door hem geleden schade tot een bedrag van € 25.000,- moet vergoeden. Wat in hoger beroep ter beoordeling voorligt is daarmee de vraag of de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.
Verzoek om schadevergoeding
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. De Raad zal gelet hierop allereerst beoordelen of de besluiten die hebben geleid tot het niet betalen van bijstand onrechtmatig zijn.
Wat de blokkering per 1 mei 2015 betreft volgt uit 1.2 dat de uitspraak van 21 november 2016, waarbij de rechtbank het beroep dat zag op de blokkering per 1 mei 2015 niet-ontvankelijk heeft verklaard, kracht van gewijsde heeft gekregen. Dit betekent dat die uitspraak definitief is, maar ook dat het besluit waartegen het beroep was ingesteld, de blokkering per 1 mei 2015, formele rechtskracht heeft verkregen. Dat besluit moet daarom rechtmatig worden geacht.
Wat de intrekking van de bijstand per 1 mei 2015 betreft blijkt uit 1.3 en 1.3.1 dat het besluit tot intrekking van de bijstand heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2017. Het college is tegen die uitspraak in hoger beroep gekomen. Aan die procedure is een einde gekomen omdat partijen hangende het hoger beroep een schikking hebben bereikt. Die schikking is een vaststellingsovereenkomst. Met die overeenkomst hebben appellant en het college een bindende afspraak gemaakt over hoe zij onder meer hun geschil over het besluit tot intrekking van de bijstand per 1 mei 2015 en de daarop gevolgde uitspraak van 7 november 2017 definitief willen oplossen. Door elkaar finale kwijting te verlenen hebben appellant en het college naar elkaar toe uitgesproken dat zij, zodra de afspraken uit de overeenkomst zijn nagekomen, niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben. Eén van die afspraken was de intrekking van het hoger beroep door het college. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat met de schikking een einde is gekomen aan de procedure over het besluit tot intrekking van de bijstand, zonder dat is komen vast te staan of dat besluit onrechtmatig is. Het besluit tot intrekking van de bijstand per 1 mei 2015 moet daarom, ook voor zover de beslissing op bezwaar van 30 maart 2017 door de rechtbank met de uitspraak van 7 november 2017 is vernietigd voor zover het de periode van 1 mei 2015 tot 16 april 2016 betreft, rechtmatig worden geacht.
Appellant heeft – samengevat weergegeven – nog wel gesteld dat hij zich niet gebonden acht aan de schikking, maar het is niet aan de Raad om daarover een oordeel te geven. Als appellant de vaststellingsovereenkomst wil aantasten, zal hij zich tot de civiele rechter moeten wenden. Totdat de vaststellingsovereenkomst wordt ontbonden of vernietigd, geldt wat partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen.
Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat van een onrechtmatig besluit geen sprake is.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) R.R. Olde Engberink
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a:
De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.