SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 december 2023, 22/5444 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Deze zaak gaat over de vraag of appellante in de periode dat zij, als partner van een door Nederland uitgezonden ambtenaar, in [naam eiland] woonde al dan niet verplicht verzekerd was voor de AOW. Centraal staat de manier waarop de Svb artikel 3, derde lid, van KB 746 uitlegt en het bedrijfsresultaat van de onderneming van appellante heeft berekend ten behoeve van de toepassing van het in die bepaling opgenomen drempelbedrag. De Raad is van oordeel dat de door de Svb gehanteerde systematiek voor de toerekening van het inkomen van appellante en voor de toetsing aan het drempelbedrag in het algemeen correct is. Artikel 3, derde lid, van KB 746, biedt echter geen grond voor de door de Svb toegepaste berekening van het inkomen over het jaar 2020, omdat deze er voor dat jaar op neerkomt dat het door appellante nog in Nederland vergaarde inkomen wordt meegeteld, terwijl het betreffende artikel spreekt over inkomen uit buiten Nederland verrichte arbeid.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld. Voor appellante is verschenen haar gemachtigde, D.W. den Hartog.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante is werkzaam als zelfstandig tekstschrijver. Op 30 oktober 2020 is zij vanwege de uitzending van haar partner naar het [naam college] ([college]) met haar gezin verhuisd naar [naam eiland], voor een periode van vier jaar.
Appellante heeft op 2 november 2021 bij de Svb een pensioenoverzicht aangevraagd. De Svb heeft met een pensioenoverzicht van 23 mei 2022 vastgesteld dat appellante verzekerd is voor de AOW van 20 oktober 1993 tot en met 31 oktober 2020, maar niet verzekerd is van 1 november 2020 tot en met 19 mei 2022.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het pensioenoverzicht. Met een besluit van 3 oktober 2022 heeft de Svb alsnog vastgesteld dat appellante verzekerd is van 20 oktober 1993 tot en met 22 november 2020, maar niet verzekerd is van 23 november 2020 tot en met 19 mei 2022. Over 2020 heeft de Svb het volledige inkomen als zelfstandige van appellante evenredig verdeeld over de maanden van dat jaar. Een tijdsevenredig deel daarvan heeft de Svb toegerekend aan het tijdvak 23 november 2020 tot en met 31 december 2021. De Svb heeft vastgesteld dat dit gedeelte van het inkomen een tijdsevenredig deel van het drempelbedrag overschreed. Over 2021 en 2022 heeft de Svb vastgesteld dat het volledige inkomen in die jaren de drempelbedragen over die kalenderjaren overschreed. Om die reden is appellante vanaf 23 november 2020 niet langer verzekerd geacht voor de AOW. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bij een zelfstandige lastig kan zijn om feitelijk en precies vast te stellen welk deel van de inkomsten in welke maand zijn verworven, omdat de inkomsten van een zelfstandige kunnen fluctueren. Om het maandinkomen van een zelfstandige vast te stellen, mag de Svb daarom de belastbare winst uit de onderneming toerekenen aan de betreffende kalendermaanden in het kalenderjaar. Daarmee worden zogeheten knipperlichtsituaties voorkomen, waarin iemand herhaaldelijk dan weer even wel, en dan weer even niet verzekerd is. Dat is een doel dat de Svb mag hanteren bij de toepassing van de volksverzekeringen. De rechtbank heeft ook overwogen dat appellante geen getalsmatige argumenten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat de vaststelling van de belastbare winst door de Svb kennelijk onredelijk of in overwegende mate onbillijk is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, waaruit blijkt dat appellante niet verzekerd is voor de AOW van 23 november 2020 tot en met 19 mei 2022, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt voor zover het gaat om het tijdvak 23 november 2020 tot en met 31 december 2020. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Appellante is de partner van een niet in Nederland wonende Nederlander die uit hoofde van een dienstbetrekking met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon buiten Nederland arbeid verricht ten behoeve van die rechtspersoon. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat appellante verzekerd kan zijn op grond van artikel 3, derde lid, van KB 746. Voorwaarde hiervoor is dat haar inkomsten uit buiten Nederland verrichte arbeid niet meer bedragen dan het bedrag genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het geschil tussen partijen concentreert zich op de manier waarop de Svb artikel 3, derde lid, van KB 746 uitlegt en de inkomsten van appellante heeft berekend ten behoeve van de toepassing van het zogenoemde drempelbedrag.
Niet bepalend dat appellante in [naam eiland] niet wettelijk voor ouderdom verzekerd is en fictief binnenlands belastingplichtig is
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de Svb en de rechtbank het begrip buiten Nederland verrichte arbeid in artikel 3, derde lid, van KB 746 verkeerd hebben uitgelegd door er geen rekening mee te houden dat zij op grond van de [naam eiland] wetgeving niet in aanmerking komt voor een ouderdomsverzekering en zij zich met haar werkzaamheden dus niet onder de invloedssfeer van de plaatselijke wetgeving heeft geplaatst, terwijl dat volgens haar nu juist wel de achtergrond is waartegen dit begrip gezien moet worden. Het feit dat in artikel 3, derde lid van KB 746 enkel wordt verwezen naar een drempelbedrag maakt naar het oordeel van de Raad duidelijk dat de eventuele overschrijding van dit drempelbedrag – en niets anders – bepalend is voor het al dan niet verplicht verzekerd zijn voor de AOW van het in die bepaling aangeduide gezinslid.
Ook het betoog van appellante dat zij door de Belastingdienst over haar periode van verblijf in [naam eiland] als fictief binnenlands belastingplichtige is geregistreerd, zodat over haar inkomsten als zelfstandige in Nederland belasting wordt geheven, treft geen doel. Een fiscale regeling inzake inkomstenbelasting staat los van de regels omtrent de verzekering voor de AOW.
Toerekening inkomen en toetsing aan drempelbedrag
Appellante stelt subsidiair dat zij in ieder kalenderjaar verzekerd is geweest tot het moment waarop haar inkomen uit buiten Nederland verrichte arbeid het volledige drempelbedrag over dat kalenderjaar heeft bereikt. Dit betekent dat zij in 2020 AOWverzekerd is gebleven, en zowel in 2021 als in 2022 een aantal maanden AOWverzekerd is geweest.
De Svb is van mening dat appellante vanaf 23 november 2020 niet meer verzekerd was voor de AOW. Volgens de Svb heeft de berekening van het inkomen en de toets aan het drempelbedrag op juiste wijze plaatsgevonden. Artikel 3, derde lid, sub a, van KB 746 verwijst naar artikel 8.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001. In dit artikel wordt telkens gesproken van inkomen over een heel kalenderjaar. De Svb verwijst ook naar de systematiek zoals beschreven in artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Het drempelbedrag wordt door de Svb eveneens naar evenredigheid toegerekend aan de maanden van het jaar.
Beoordeling van de verzekering over 2020; in Nederland verworven inkomen ten onrechte bij de berekening betrokken
De beroepsgrond dat de Svb over 2020 ten onrechte rekening heeft gehouden met door appellante in Nederland verworven inkomen, slaagt om de volgende redenen.
De Svb heeft de inkomsten die appellante heeft vergaard in de periode van 1 januari tot en met 31 oktober 2020, toen zij arbeid in Nederland verrichtte, meegeteld voor de berekening van het inkomen bedoeld in artikel 3, derde lid, van KB 746. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante haar werkzaamheden al in Nederland verrichtte en dat zij deze in 2020 heeft voortgezet op [naam eiland]. Bij een zelfstandige wordt het bedrijfsresultaat per kalender- of boekjaar vastgesteld en naar evenredigheid toegerekend aan de twaalf maanden van dat kalender- of boekjaar. Voor het geval van appellante betekent dit volgens de Svb dat alle inkomsten die in 2020 zijn genoten, naar tijdsevenredigheid over het jaar moeten worden verdeeld. Alleen als in de situatie van appellante aantoonbaar slechts een deel van het jaar 2020 werkzaamheden zouden zijn verricht, zou er grond kunnen zijn om de winst of het bedrijfsresultaat slechts aan de maanden waarin arbeid wordt verricht toe te rekenen. Hiervan is naar het oordeel van de Svb geen sprake.
Naar het oordeel van de Raad biedt artikel 3, derde lid, van KB 746 voor deze werkwijze echter geen ruimte. Bepalend voor het al dan niet verzekerd zijn op grond van deze bepaling is immers de hoogte van de inkomsten uit buiten Nederland verrichte arbeid. Dat staat eraan in de weg dat ook inkomsten uit binnen Nederland verrichte arbeid worden meegeteld, al is het ook via een toerekening aan tijdvakken waarin de betrokkene al buiten Nederland woonde. De Svb zal daarom alsnog moeten vaststellen welk inkomen appellante in 2020 heeft verworven met in dat jaar op [naam eiland] verrichte arbeid.
Terecht getoetst aan tijdsevenredig deel van het drempelbedrag
Wel heeft de Svb over 2020 terecht getoetst aan een tijdsevenredig deel van het drempelbedrag over dat jaar. De evenredige toerekening van het drempelbedrag aan de betreffende maanden van het jaar sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad over toerekening aan delen van het jaar van het drempelbedrag van de inkomensafhankelijke combinatiekorting van artikel 8.14a van de Wet IB 2001, naar welke bepaling artikel 3, derde lid, van KB 746 verwijst. Ook in de Nota van toelichting bij KB 746 is hiervoor een aanknopingspunt te vinden. Daar is (met betrekking tot artikel 2 van KB 746, dat een vergelijkbare systematiek bevat) vermeld dat de inkomenstoets in voorkomende gevallen naar rato van de verstreken tijdsduur dient plaats te vinden, aangezien in het kader van de AKW – en de Anw – beoordeling gedurende het jaar dient te worden getoetst of aan de verzekeringsvoorwaarden wordt voldaan. Anders dan appellante heeft betoogd, ziet de Raad geen reden waarom in het kader van de beoordeling van de AOW-verzekering over gedeelten van kalenderjaren de in de Nota van toelichting bedoelde naar-rato-berekening niet zou kunnen of mogen plaatsvinden.
Slotsom is dat de Svb alsnog zal moeten vaststellen welk inkomen appellante in 2020 heeft verworven met in dat jaar op [naam eiland] verrichte arbeid, en dat bedrag zal moeten toetsen aan een tijdsevenredig gedeelte van het drempelbedrag.
Beoordeling over 2021 en 2022; toetsing inkomen uit arbeid over het hele jaar aan drempelbedrag
De Raad verwerpt de stelling van appellante dat zij in 2021 en 2022 verzekerd is geweest tot het moment waarop haar inkomen uit arbeid het drempelbedrag bereikte.
Voor zover het gaat om de beoordeling van de AOW-verzekering over volledige kalenderjaren waarin de betrokkene buiten Nederland woonde en arbeid heeft verricht, heeft de Svb zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat het inkomen over een volledig kalenderjaar moet worden getoetst aan het drempelbedrag over dat kalenderjaar. Deze berekeningswijze vindt een aanknopingspunt in het gegeven dat de Wet Inkomstenbelasting 2001 een inkomen per kalenderjaar hanteert en dat artikel 8.14a Wet Inkomstenbelasting 2001 dan ook spreekt over het arbeidsinkomen per kalenderjaar. Het ligt dan voor de hand dat bij de beoordeling van de AOW-verzekering het volledige jaarinkomen wordt getoetst aan het drempelbedrag.
De Svb heeft appellante over de jaren 2021 en 2022 niet verzekerd geacht, omdat appellante in die jaren meer heeft verdiend dan de gestelde drempelbedragen voor deze jaren. Daarbij is de Svb uitgegaan van de gegevens zoals blijkend uit haar aangiftes omzetbelasting. Appellante heeft de door de Svb gehanteerde bedragen niet betwist. Uitgaande van deze bedragen heeft de Svb – zo blijkt uit het voorgaande – de juiste berekeningswijze gehanteerd. De Raad onderschrijft dan ook het standpunt van de Svb dat appellante over de volledige kalenderjaren 2021 en 2022 niet verzekerd is geweest.
Beroep op hardheidsbepaling slaagt niet
Appellante kan niet met vrucht een beroep doen op de hardheidsbepaling van artikel 24 van KB 746. Niet gebleken is dat er in het geval van appellante sprake is van feiten of omstandigheden die maken dat de toepassing van artikel 3, derde lid, van KB 746 leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Appellante heeft in dit verband gewezen op het gat van vier jaar in haar AOWopbouw dat ontstaat als zij haar onderneming vanuit [naam eiland] voortzet en haar inkomsten jaarlijks het drempelbedrag overschrijden. Naar het oordeel van de Raad is het niet-verzekerd zijn voor de AOW als gevolg van inkomsten uit buiten Nederland verrichte arbeid die het drempelbedrag overschrijden geen bijzondere of onverwachte omstandigheid, maar juist het bedoelde effect van de betreffende bepaling. In die situatie is het aan appellante zelf om – bijvoorbeeld via vrijwillige verzekering voor de AOW – een voorziening te treffen die toekomstig financieel nadeel voorkomt. Appellante heeft ook een aanvraag om toelating tot de vrijwillige verzekering gedaan. De Svb heeft ter zitting toegezegd de aanvraagtermijn van de vrijwillige verzekering niet aan appellante te zullen tegenwerpen.
Conclusie en gevolgen
Uit het voorgaande, in het bijzonder uit 4.6, volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2022 zal gegrond worden verklaard en dit besluit zal worden vernietigd wegens onjuiste toepassing van artikel 3, derde lid, van KB 746 voor zover daarin is bepaald dat appellante van 23 november 2020 tot en met 1 december 2020 niet verzekerd is geweest voor de AOW.
Op basis van de inkomensgegevens van appellante die aan de Raad zijn overgelegd kan niet definitief worden bepaald hoeveel inkomsten uit buiten Nederland verrichte arbeid appellante in de periode van 23 november tot en met 31 december 2020 heeft gehad. De Raad beschikt dan ook niet over de benodigde gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De Svb zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
5. De Svb moet het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen, is niet gebleken.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) M.S. van Veller
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene Ouderdomswet (AOW)
Artikel 6
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. (…)
2. (…)
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.
4. (…)
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 zoals dat luidde van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2022 (KB 746)
Artikel 3
1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de niet in Nederland wonende Nederlander, voor zover niet reeds begrepen onder artikel 2, die uit hoofde van een dienstbetrekking met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon buiten Nederland arbeid verricht ten behoeve van die rechtspersoon, tenzij hij:
a. ten tijde van aanwerving niet in Nederland woonde;
b. buiten Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking; (…)
2. (…)
3. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn de echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden van de verzekerde, bedoeld in het eerste en tweede lid, tenzij het gezinslid:
a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001; of
b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
Artikel 24
1. De Sociale verzekeringsbank kan, met uitzondering van artikel 22, derde lid, artikelen van dit besluit buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, die uitsluitend voortvloeit uit de verzekeringsplicht of de uitsluiting daarvan krachtens dit besluit.
Wet inkomstenbelasting 2001
Artikel 8.14a zoals dat luidde van 1 juli 2020 tot en met 31 december 2020
1. De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien:
a. hij een arbeidsinkomen heeft dat meer bedraagt dan € 5.072, dan wel hij in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek;
b. (…)
c. hij in het kalenderjaar geen partner heeft, dan wel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar een lager arbeidsinkomen heeft dan zijn partner.
Met ingang van 1 januari 2021 is het bedrag genoemd in artikel 8.14a, eerste lid aanhef en onder a, Wet inkomstenbelasting 2001 gewijzigd in € 5.153.
Met ingang van 1 januari 2022 is het bedrag genoemd in artikel 8.14a, eerste lid aanhef en onder a, Wet inkomstenbelasting 2001 gewijzigd in € 5.219.
Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten
Artikel 4:1
1. (…)
5. Bij de toepassing van het eerste lid worden het belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare winst uit onderneming en de uitkering, bedoeld in de artikelen 2:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, en 3:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, evenredig toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar.
(…)
11. Indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat bepaalt de SVB of het UWV het inkomen op een andere wijze.