SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/62 WIA, 25/714 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 december 2024, 23/5830 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIAuitkering van appellante heeft ingetrokken en teruggevorderd, omdat zij werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht. Appellante heeft aangevoerd dat zij formeel eigenaar was van een bedrijf, maar in de periode dat zij een WIAuitkering ontving geen werkzaamheden heeft verricht. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante werkzaam is geweest als zelfstandige. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld omdat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden en ook nadien geen inzicht heeft gegeven in de omvang van de werkzaamheden en inkomsten. De WIAuitkering van appellante is terecht ingetrokken en teruggevorderd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 16 december 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak, gedeeltelijk via videobellen, behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Appellante is (fysiek) verschenen, bijgestaan door mr. E. Köse, advocaat en kantoorgenoot van mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft van 17 oktober 2020 tot en met 16 september 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen.
Nadat het Uwv een melding had ontvangen waarin was vermeld dat appellante bestuurder is van een onderneming in de zorg, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan haar verstrekte uitkering. In het kader van dit onderzoek zijn onder andere verschillende bronnen geraadpleegd en is informatie opgevraagd bij de Belastingdienst, zorgverzekeraar VGZ en de ABN Amro Bank. Uit de ontvangen informatie kwam naar voren dat appellante ook betrokken zou zijn geweest bij een tweede zorgonderneming. Het Uwv heeft gesproken met een aantal (ex-)werknemers van beide ondernemingen. Ook heeft een gesprek met appellante plaatsgevonden en is een bezoek gebracht aan het vestigingsadres van één van de ondernemingen. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 25 oktober 2021.
In de onderzoeksbevindingen heeft het Uwv aanleiding gezien om bij besluit van 5 oktober 2022 de WIAuitkering met ingang van 17 oktober 2020 te beëindigen (lees: in te trekken). Het Uwv heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat appellante naast haar uitkering werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige. Door hiervan geen melding te maken, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Omdat geen sprake is van een deugdelijke administratie is de omvang van de werkzaamheden en de hoogte van de daaruit verkregen inkomsten niet duidelijk. Daardoor kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld.
Met een besluit van 6 oktober 2022 heeft het Uwv de over de periode van 17 oktober 2020 tot en met 30 september 2022 (lees: 16 september 2022) aan appellante betaalde uitkering, tot een bedrag van € 39.811,22, van haar teruggevorderd.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 oktober 2022. Bij besluit van 7 juli 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. De rechtbank heeft het Uwv gevraagd of de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 gevolgen heeft voor dit beroep. Het Uwv heeft hierop geantwoord dat de periode waarover de WIAuitkering wordt ingetrokken en teruggevorderd moet worden beperkt tot de periode van 17 oktober 2020 tot en met 24 april 2022. Het Uwv heeft dit gewijzigde standpunt niet neergelegd in een nieuwe beslissing op bezwaar.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het handhavingsrapport van 25 oktober 2021, de verklaringen van appellante op de zitting, de door appellante ingediende brief van de boekhouder en de verklaring van de partner van appellante dat zij als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten vanuit haar onderneming gedurende de periode dat zij een WIAuitkering ontving. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd, heeft niet tot een ander oordeel geleid. Wel heeft de rechtbank geoordeeld dat, overeenkomstig met het gewijzigde standpunt van het Uwv, de intrekking en terugvordering moet worden beperkt tot de periode van 17 oktober 2020 tot en met 24 april 2022. Omdat de rechtbank niet beschikte over de gegevens om de hoogte van de terugvordering over die periode te berekenen, heeft de rechtbank het Uwv opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte is geconcludeerd dat zij werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht in de periode dat zij een WIAuitkering ontving. In dit verband heeft appellante toegelicht dat vanaf het moment dat zij ziek werd de onderneming die op haar naam stond feitelijk werd gedreven door haar partner, maar dat het niet mogelijk was om de onderneming formeel aan hem over te dragen vanwege de daarvoor benodigde AGBcode. Omdat appellante formeel de eigenaar was van het bedrijf was zij als enige bevoegd om documenten te ondertekenen, maar met de bedrijfsvoering hield zij zich niet bezig. Ook voor de andere door het Uwv genoemde zorgonderneming stelt appellante geen werkzaamheden te hebben verricht. Appellante is van mening dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig was en dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om de onderzoeksbevindingen te betwisten. Ook de rechtbank heeft volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met de feiten en omstandigheden van de zaak en is niet ingegaan op hetgeen zij heeft aangevoerd. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij geen werkzaamheden heeft verricht, heeft appellante in hoger beroep een verklaring ingediend van een voormalig stagiaire van het bedrijf.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 16 december 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. In dit besluit is het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard. De intrekking van de WIAuitkering is beperkt tot de periode van 17 oktober 2020 tot en met 24 april 2022. De terugvordering over deze periode bedraagt € 31.146,45 bruto.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat appellante heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad bestreden besluit 2 mede in de beoordeling betrekken. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij de aangevallen uitspraak.
Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WIAuitkering van appellante is een belastend besluit, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellante om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de periode dat zij een WIAuitkering ontving werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. Vaststaat dat appellante in deze periode eigenaar was van een zorgonderneming en dat zij daarnaast in 2021 gedurende ongeveer zeven maanden vennoot is geweest van een tweede zorgonderneming. Uit het onderzoeksrapport van 25 oktober 2021 blijkt onder andere dat vanaf de bankrekening van het bedrijf waarvan appellante de eigenaar was, bedragen werden overgeboekt naar haar privérekening. Ook blijkt dat er op naam van appellante, zowel telefonisch als via e-mail, contact is geweest met zorgverzekeraar VGZ over onder andere declaraties en machtigingen van cliënten. Daar komt bij dat door diverse (ex)werknemers van het bedrijf is verklaard dat zij een sollicitatiegesprek met appellante hebben gehad en dat appellante de leidinggevende was. Ook is door een medewerker van een ander bedrijf, dat is gevestigd in hetzelfde gebouw, verklaard dat zij appellante al langere tijd gemiddeld twee tot drie keer per week in het kantoor heeft gezien. Wat betreft de zorgonderneming waarvan appellante korte tijd vennoot is geweest, heeft de toenmalige medevennoot verklaard dat appellante belast was met onder andere het inrichten van de administratie en dat zij ongeveer twintig keer op het kantoor is verschenen om daar te werken.
Anders dan appellante stelt, is zij wel degelijk door het Uwv in de gelegenheid gesteld om de onderzoeksbevindingen te betwisten. Tijdens het gesprek met appellante op 20 september 2021 heeft het Uwv de onderzoeksbevindingen met appellante besproken. In reactie op het aan haar toegezonden gespreksverslag, heeft appellante een uitgebreide schriftelijke reactie ingediend. Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellante onder andere verklaringen ingediend van (ex)werknemers, haar partner en de boekhouder van de betreffende zorgonderneming. Naar het oordeel van de Raad is appellante hiermee, en ook met hetgeen zij verder heeft aangevoerd, er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het standpunt van het Uwv onjuist is. De door appellante ingediende verklaringen zijn niet verifieerbaar en sluiten bovendien niet uit dat appellante (naast haar partner) in de periode in geding werkzaamheden voor het bedrijf heeft verricht. Ook het eerder ingenomen standpunt dat de bedragen die naar de privérekening van appellante zijn overgemaakt leningen betreffen, is niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellante ter zitting dat haar naam en AGBcode zijn gebruikt dan wel misbruikt door derden bij contacten met onder andere zorgverzekeraar VGZ. Dat niet daadwerkelijk door medewerkers van het Uwv is waargenomen dat appellante aan het werk was, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig is of dat het Uwv – op basis van het samenstel aan onderzoeksbevindingen – niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat appellante werkzaamheden heeft verricht. De door appellante in hoger beroep ingediende verklaring van een stagiaire leidt niet tot een ander oordeel, omdat ook deze verklaring niet verifieerbaar is en daaruit bovendien niet blijkt of de stage heeft plaatsgevonden in de periode die hier in geding is.
Nu appellante haar werkzaamheden als zelfstandige niet aan het Uwv heeft doorgegeven en ook achteraf geen inzage heeft gegeven in de omvang van de door haar ten behoeve van de op haar naam staande ondernemingen verrichte werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten, heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Hieruit volgt dat de WIAuitkering over de periode van 17 oktober 2020 tot en met 24 april 2022 terecht is ingetrokken en teruggevorderd.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Het beroep tegen bestreden besluit 2 wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de WIAuitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 december 2024 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en G.C. Boot en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) G.T. Hunsel
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA:
De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van artikel 71 een uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA:
Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
[…]
c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA:
Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.