ECLI:NL:CRVB:2026:1034

ECLI:NL:CRVB:2026:1034

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer 24/2722 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid op de datum in geding als duurzaam moet worden aangemerkt, zodat appellante recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. De Raad acht de motivering van het Uwv desgevraagd onvoldoende toegespitst op de te verwachten verbetering van de arbeidsmogelijkheden van appellante, komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt en kent een IVAuitkering aan appellante toe.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

24/2722 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 oktober 2024, 23/1749 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WGAuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%, ongewijzigd heeft voortgezet. Volgens appellante zijn haar beperkingen duurzaam en had een IVAuitkering aan haar moeten worden toegekend. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt en kent een IVAuitkering aan appellante toe.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.M.J.J. Dewarrimont hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft door middel van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 mei 2026 vragen van de Raad beantwoord.

De Raad heeft de zaak, via videobellen, behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Voor appellante is mr. Dewarrimont verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft gewerkt als begeleider A voor gemiddeld 35,86 uur per week. Op 30 juli 2018 heeft zij zich ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 27 juli 2020 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 12 juli 2021 in aanmerking gebracht voor een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.

Op 28 juni 2022 heeft appellante aan het Uwv doorgegeven dat haar gezondheid is verslechterd. Daarnaast is op 30 juni 2022 een verzoek om een herbeoordeling ingediend namens de (ex)werkgever van appellante. Na onderzoek door een verzekeringsarts, heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2022 vastgesteld dat appellante ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en dat haar uitkering daarom niet wijzigt. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.

Bij besluit van 27 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een arts bezwaar en beroep en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 juni 2023 ten grondslag. In de FML zijn uitsluitend de beperkingen opgenomen die van blijvende aard zijn. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van deze FML berekend op 64,76%. Gelet daarop heeft het Uwv zijn standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is gehandhaafd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen grond gezien om de conclusies van de arts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De arts bezwaar en beroep heeft de psychische gezondheidsklachten van appellante en de diagnoses die (in het verleden) zijn gesteld, kenbaar en uitvoerig besproken in de herbeoordeling betrokken. Voorts heeft hij gemotiveerd geconcludeerd dat er ten tijde van het onderzoek medisch gezien sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, maar dat er gezien de ingezette behandelingen een verbetering van de belastbaarheid van appellante binnen een jaar te verwachten is. Hij heeft daarom een fictieve FML opgesteld van de duurzame beperkingen om te bepalen of appellante als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te beschouwen is (bij arbeidskundig onderzoek). Appellante heeft met de door haar in beroep overgelegde medische informatie, en ook op andere wijze, niet aannemelijk gemaakt dat de arts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van haar gezondheidstoestand. Ook heeft appellante geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van de conclusies van de arts bezwaar en beroep over haar gezondheidstoestand, de te verwachten verbetering van de klachten en haar belastbaarheid voor arbeid. De rechtbank heeft verder overwogen dat uitvoerig en op voldoende feitelijke grondslag is gemotiveerd dat de aan appellante voorgehouden functies in overeenstemming zijn met haar belastbaarheid zoals vastgelegd in de fictieve FML.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat wel degelijk sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat sprake is van complexe psychische problematiek en dat zij reeds jarenlang intensieve en multidisciplinaire behandelingen heeft ondergaan maar dat hiermee geen substantiële verbetering is bereikt. De behandeling die in 2023 nog is gestart, was erop gericht dat appellante zich beter zou kunnen handhaven in het dagelijks leven. De behandeling was dus niet gericht op het vergroten van de arbeidsmogelijkheden. Appellante is van mening dat de (verzekerings)artsen van het Uwv onvoldoende hebben gemotiveerd op welke wijze de behandeling in haar specifieke geval nog zou kunnen leiden tot afname van de beperkingen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een expertiserapport van een psychiater van 10 maart 2026 ingediend.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In het door appellante ingediende expertiserapport heeft het Uwv geen aanleiding gezien om zijn standpunt te wijzigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de ongewijzigde voortzetting van de WGAuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Zoals ter zitting met partijen is besproken, gaat het in deze zaak om een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante op 28 juni 2022 (datum in geding). Niet in geschil is dat appellante op deze datum volledig arbeidsongeschikt is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid op de datum in geding als duurzaam moet worden aangemerkt, zodat appellante op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA in plaats van een WGAuitkering.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

Vooropgesteld wordt dat het Uwv erkent dat de medische situatie van appellante ernstig is. De verzekeringsarts bestempelt haar situatie in zijn rapport van 18 oktober 2022 als zorgwekkend. Hij wijst er daarbij op dat appellante ten tijde van het onderzoek zeer intensieve begeleiding in de thuissituatie nodig had, zelfs bij het persoonlijk en sociaal functioneren en op het gebied van zelfzorg, zowel in de thuisomgeving en buitenshuis. Zeer intensieve behandeling in het verleden blijkt niet of nauwelijks resultaat te hebben gehad, terwijl wel sprake is geweest van voldoende therapietrouw. Appellante was ten tijde van het onderzoek in behandeling bij een psychiater en psycholoog en kreeg begeleiding van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Overwogen werd om te starten met Narratieve exposure therapie (NET). Uit het dossier blijkt dat appellante in januari 2023 met deze therapie is gestart. De arts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 juni 2023 gesteld dat NET is ingezet met het doel van vermindering van de klachten en beperkingen. Uit de literatuur blijkt volgens de verzekeringsarts dat deze vorm van behandeling effectief is bij de behandeling van PTSS. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de in hoger beroep ingediende rapporten gewezen op een brief van de behandelaren van appellante van 3 april 2024 (lees: 8 april 2024). Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt uit deze brief dat de behandelaren NET geïndiceerd achten en dat er volgens hen een reële kans is op klachtenvermindering. Bovendien blijkt dat de ingezette behandeling op het moment van het schrijven van de brief al enige verbetering had laten zien, hetgeen prognostisch gunstig is. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er, onder verwijzing naar het rapport van de arts bezwaar en beroep, ook op gewezen dat in algemene zin, prognostisch gezien, de grotere risicofactoren voor blijvend verminderd functioneren bij PTSSpatiënten niet aanwezig zijn. In tegenstelling tot de verzekeringsarts en de arts bezwaar en beroep is de verzekeringsarts bezwaar en beroep van mening dat verbetering, gelet op de complexiteit en de duur van de klachten, niet kon worden verwacht in het eerste jaar, maar wel in de periode daarna.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, gaat het er bij de beoordeling van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid niet om of nog enige verbetering van de gezondheidstoestand van de betrokkene verwacht kan worden, maar of de verwachting bestaat dat de belastbaarheid, en daarmee de mogelijkheden om weer te gaan werken, zal kunnen toenemen. Hierbij geldt dat als, zoals bij appellante, van een stabiele of verslechterende situatie wordt uitgegaan voor het eerste jaar, de vaststelling dat er in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel, concreet en toereikend onderbouwd moet worden. De Raad acht de motivering door de (verzekerings)artsen van het Uwv, ook na beantwoording van de vragen van de Raad in het rapport van 11 mei 2026, op dit punt onvoldoende toegespitst op de te verwachten verbetering van de arbeidsmogelijkheden van appellante.

In het door appellante ingediende expertiserapport is door de psychiater bovendien inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom zij het niet eens is met de inschatting van de kans op herstel door de (verzekerings)artsen van het Uwv. De psychiater heeft zich op het standpunt gesteld dat het behoud van het huidige evenwicht het belangrijkste en meest haalbare doel is en dat niet waarschijnlijk is dat appellante in de toekomst een arbeidsrol zal kunnen vervullen. Ook in 2022, voor de start van de NET, was de kans op verder herstel volgens de psychiater zeer klein. De psychiater heeft er daarbij onder andere op gewezen dat bij appellante meerdere, elkaar beïnvloedende diagnoses aanwezig zijn. Appellante heeft hiervoor reeds meerdere evidence-based behandelingen doorlopen, waaronder schematherapie en intensieve en minder intensieve traumabehandeling, maar er was in 2022 nog steeds sprake van een verslechterend psychiatrisch toestandsbeeld. Al met al is volgens de psychiater verder herstel onwaarschijnlijk, zowel in 2022 als in 2023.

De verwijzing door de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar de brief van de behandelaren van 8 april 2024 leidt niet tot een ander oordeel. In deze brief staat dat het doel van de behandeling was om te zorgen dat appellante meer in het hier en nu en richting de toekomst zou leven in plaats van in het verleden en dat de lading van herinneringen af zou nemen, zodat zij niet meer vast zou lopen danwel dissociëren en zelfstandig zou kunnen douchen en omkleden. De in deze brief beschreven verbetering, waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar verwijst, bestaat eruit dat appellante zelfstandig kan wonen, alleen (nog) niet. Appellante wordt bij dagelijkse dingen door haar partner ondersteund en kan zelfstandig douchen en aankleden. Appellante heeft daarnaast nog ambulante begeleiding en kan met ondersteuning van haar partner, netwerk en hulpverlening in haar levensbehoeftes voorzien. Hierbij is aangetekend dat appellante op deze wijze kan functioneren doordat zij in een bekende, voorspelbare en voor haar veilige omgeving is. In een voor appellante onbekende, onvoorspelbare en prikkelrijke omgeving lukt dat moeilijk en zijn dissociaties nog veel meer aan de orde. Nog daargelaten dat het bij de beoordeling van de duurzaamheid gaat om de inschatting van de kans op herstel op de datum in geding, kan ook hieruit niet worden afgeleid dat verwacht mocht worden dat de NET zou kunnen leiden tot een toename van de arbeidsmogelijkheden. In dit verband merkt de Raad nog op dat uit de brief van de behandelaren blijkt dat bij appellante sprake is van een groot aantal traumatriggers en dat binnen de NET voor een belangrijke traumatrigger weinig tot geen aandacht is.

Uit 5.4 volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Niet aannemelijk is dat het Uwv het besluit alsnog van een daadkrachtige motivering kan voorzien. Op grond van de nu beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat appellante op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit worden vernietigd. Het besluit van 28 oktober 2022 wordt herroepen. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door met ingang van 28 juni 2022 een IVAuitkering aan appellante toe te kennen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Proceskosten en griffierecht

Appellante krijgt een vergoeding voor de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 666,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde van € 666,-), € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 4.402,- voor verleende rechtsbijstand.

Ook moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 juni 2023;

- herroept het besluit van 28 oktober 2022 en bepaalt dat appellante met ingang van 28 juni 2022 recht heeft op een IVAuitkering;

- kent appellante met ingang van 28 juni 2022 een IVAuitkering toe en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.402,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en G.C. Boot en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) G.T. Hunsel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2026/203
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand