SAMENVATTING
25/1698 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, 24/672 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant per 25 augustus 2023 heeft beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Yilmaz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yilmaz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als installatiemedewerker voor 40 uur per week. Op 25 november 2015 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten vanuit een werkloosheidssituatie. Het Uwv heeft met ingang van 22 november 2017 aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 80 tot 100%. Met ingang van 29 januari 2018 heeft het Uwv aan appellant een IVA-uitkering toegekend.
Naar aanleiding van meldingen dat appellant werkzaamheden zou verrichten bij een autopoetserij heeft een handhavingsonderzoek plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport Handhaving Inspectie van 2 januari 2023. Omdat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat appellant werkzaamheden en activiteiten (heeft) verricht die niet passen bij de eerder vastgestelde belastbaarheid heeft op verzoek van de afdeling Handhaving een herbeoordeling plaatsgevonden.
Op 20 maart 2023 is appellant door een verzekeringsarts van het Uwv op een spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellant sprake was van een depressie met psychotische kenmerken en rugklachten, maar dat de psychische klachten grotendeels in remissie zijn door medicatie. Daarnaast heeft de verzekeringsarts geconstateerd dat de rugklachten aspecifiek en licht van aard lijken. Omdat appellant niet voldoet aan de criteria die gelden voor de conclusie dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden, heeft de verzekeringsarts de belastbaarheid van appellant vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 april 2023. Op deze FML zijn beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en is appellant beperkt geacht voor werken na 20.00 uur en ‘s nachts. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 23,25%. Het Uwv heeft bij besluit van 18 mei 2023 de IVA-uitkering van appellant met ingang van 18 juli 2023 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
Bij brief van 18 oktober 2023 heeft het Uwv het voornemen kenbaar gemaakt de IVA-uitkering van appellant te beëindigen met ingang van 25 augustus 2023, omdat is gebleken dat appellant binnen vier weken na de beëindiging van de IVA-uitkering opgenomen is geweest (van 10 tot en met 24 augustus 2023) en dat daarom in de periode van 18 juli 2023 tot en met 24 augustus 2023 sprake was van geen benutbare mogelijkheden. Hieraan liggen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Bij besluit van 21 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, de IVA-uitkering van appellant heropend van 18 juli 2023 tot en met 24 augustus 2023 en de IVA-uitkering van appellant beëindigd met ingang van 25 augustus 2023. Hieraan liggen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De fraudemelding en de onderzoeksrapportage rechtvaardigen het (medisch) onderzoek van het Uwv, zodat appellant op goede gronden is onderworpen aan een medisch onderzoek. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv niet onrechtmatig en voldoende zorgvuldig is geweest. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat appellant met een schriftelijke machtiging het Uwv toestemming had verleend contact op te nemen met zijn behandelaar en dat de verzekeringsarts niet heeft gesproken met de behandelaar maar met het secretariaat omdat hij nog geen reactie had ontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen voldoende inzichtelijk en navolgbaar hebben gemotiveerd waarom de beperkingen van appellant per datum in geding anders waren dan ten tijde van de toekenning van de IVA-uitkering. De verzekeringsartsen hebben goed gemotiveerd dat de recidiverende depressieve klachten van appellant in remissie waren, dat geen sprake meer was van psychotische kenmerken en dat daarom geen grote beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren meer zijn. De bevindingen van de primaire verzekeringsarts worden ondersteund door de medische informatie. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Niet is gebleken dat de belastbaarheid van appellant, zoals vastgelegd in de FML, wordt overschreden in de functies die zijn geselecteerd tijdens de arbeidskundige beoordeling. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat gelet op het verplichtende karakter van de relevante bepalingen in de Wet WIA in beginsel geen ruimte bestaat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel en dat wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding vormt hier anders over te oordelen.
Het standpunt van appellant
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv hem ten onrechte heeft onderworpen aan een medisch onderzoek. De rechtbank heeft ten onrechte niet meegewogen dat het mogelijk is om met een IVA-uitkering vrijwilligerswerk te verrichten. Volgens appellant dient eerst herstel in te treden voordat het recht op een IVA-uitkering kan worden beëindigd. Nergens blijkt uit dat de medische belastbaarheid van appellant is toegenomen of dat sprake is van herstel. Volgens appellant had een psychiater als deskundige moeten worden ingeschakeld om de psychische gesteldheid van appellant in kaart te brengen en te beoordelen of sprake was van herstel op de datum in geding. Ten onrechte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beoordeling uitgevoerd zonder appellant te hebben onderzocht. De psychische problematiek die appellant heeft is nog steeds actueel en beperkt hem sterk in zijn belastbaarheid. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn dagverhaal en de doorgemaakte traumatische ervaringen. De psychiatrische problemen die hierdoor zijn ontstaan, zijn door het Uwv onderschat. Zo wordt onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat appellant psychotisch is en daarvoor nog steeds medicatie gebruikt. De informatie van de huisarts is gebrekkig en onbetrouwbaar omdat appellant na de toekenning van zijn IVAuitkering nagenoeg geen afspraken meer heeft gehad bij de huisarts.
Het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep telefonisch contact heeft gehad met de psychiater van appellant voordat de medische informatie van deze psychiater is verstuurd is volgens appellant niet zorgvuldig geweest. Bovendien is de vraagstelling aan de psychiater zo summier dat hiermee geen volledig beeld kan worden verkregen van alle klachten en beperkingen van appellant. De verzekeringsartsen geven een compleet ander beeld van appellant dan hij daadwerkelijk aan klachten en beperkingen heeft. Volgens appellant verkeert hij in een ongelijke positie en is er reden tot het benoemen van een deskundige. Het Uwv had op grond van het evenredigheidsbeginsel appellant eerst een officiële waarschuwing of zelfs korting op zijn uitkering kunnen geven in plaats van tot beëindiging over te gaan. De belangen van appellant zijn onvoldoende meegewogen in de besluitvorming.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in de beroepsprocedure heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De uitgebreide en goed gemotiveerde overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
De stelling dat in dit geval geen herbeoordeling had mogen worden verricht, wordt niet gevolgd. De WIA-uitkering van appellant is beëindigd op grond van een volledig medisch en arbeidsdeskundig onderzoek. Het Uwv is volgens vaste rechtspraak ten allen tijde bevoegd een herbeoordeling te verrichten van het recht op een WIA-uitkering.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Op 20 maart 2023 heeft een spreekuurcontact plaatsgevonden met de primaire verzekeringsarts, waarbij de psychische gesteldheid van appellant is onderzocht. Verder is kennisgenomen van de medische en verzekeringsgeneeskundige voorgeschiedenis van appellant, van zijn actuele klachten en beperkingen en van recente medische informatie. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitgebreid onderzoek verricht en alle beschikbare medische stukken in de beoordeling betrokken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv deugdelijk en inzichtelijk hebben toegelicht dat en waarom bij appellant geen sprake was van dezelfde belastbaarheid als ten tijde van de toekenning van de IVA-uitkering in 2018. Van belang hierbij is dat uit de informatie van de behandelaren naar voren komt dat de depressieve stoornis grotendeels in remissie is en dat geen sprake meer is van psychotische kenmerken. Ook uit informatie van de opname van 10 augustus 2023 tot en met 24 augustus 2023 blijkt dat toen geen depressieve stoornis kon worden geobjectiveerd en dat van ernstige psychiatrische problematiek geen sprake was. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische stukken ingebracht op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de juistheid van de vaststelling van de medische belastbaarheid van appellant.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, wordt het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.