ECLI:NL:CRVB:2026:1044

ECLI:NL:CRVB:2026:1044

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 30-07-2026
Datum publicatie 13-08-2026
Zaaknummer 25/1407 WIA-T
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Tussenuitspraak. Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster op 49%. De Raad is van oordeel dat het Uwv de urenbeperking niet voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1407 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 juni 2025, 24/2299 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 juli 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster per 30 januari 2023 heeft vastgesteld op 49%. Volgens appellante zijn de aangenomen beperkingen niet deugdelijk onderbouwd. De Raad volgt dit standpunt van appellante en concludeert dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A. van der Steen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2026. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Van der Steen en arts-gemachtigde en medisch adviseur [naam medisch adviseur]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

[naam ex-werkneemster] (ex-werkneemster) heeft voor het laatst gewerkt als eerste verkoopmedewerkster voor 36 uur per week. Op 1 februari 2021 heeft zij zich ziekgemeld wegens meerdere gezondheidsklachten. Nadat ex-werkneemster een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat ex-werkneemster bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 maart 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat ex-werkneemster niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens onvoldoende passende functies voor haar kunnen vinden. Daarom heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat ex-werkneemster geen theoretische verdiencapaciteit heeft en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 100%. Het Uwv heeft bij besluit van 13 maart 2023 met ingang van 30 januari 2023 aan ex-werkneemster een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij brief van 28 december 2023 heeft het Uwv het voornemen kenbaar gemaakt het besluit van 13 maart 2023 te wijzigen in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster per 30 januari 2023 49% is. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts en heeft de gewijzigde beperkingen neergelegd in een FML van 28 november 2023. In deze FML zijn onder meer meerdere beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en een urenbeperking van maximaal zes uur per dag en dertig uur per week. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat ex-werkneemster niet geschikt is voor haar laatste werk, maar heeft wel functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 49%. Bij besluit van 17 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en conform het voornemen ex-werkneemster per 30 januari 2023 minder arbeidsongeschikt geacht dan in het besluit van 13 maart 2023 is vastgesteld, te weten 49%. Hieraan liggen aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en heeft geen reden gezien te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten doen. Het onderzoek is voldoende actueel, de rapporten van de verzekeringsartsen bevatten geen tegenstrijdigheden en de conclusies van de rapporten vloeien logisch voort uit de onderzoeksbevindingen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat en waarom een duurbeperking op preventieve gronden in acht moet worden genomen. Met de stellingen van de door appellante ingeschakelde medisch adviseur [naam medisch adviseur] heeft appellante geen twijfel gezaaid over de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep mede is gebaseerd op het spreekuur, wat voor [naam medisch adviseur] geen mogelijkheid was, is voor de rechtbank geen reden geweest om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn bevindingen niet mede op het spreekuur heeft kunnen baseren.

Uitgaande van de juistheid van de bij ex-werkneemster vastgestelde beperkingen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de passendheid van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Daar waar een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid is gesignaleerd, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de functie geschikt is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De door appellante aangehaalde uitspraak van de Raad is volgens de rechtbank een niet vergelijkbare situatie omdat in dit geval geen sprake is van een categorale motivering van de niet-passendheid van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten per functie binnen de arbeidsongeschiktheidsklasse 0 tot 45% toegelicht waarom de ex-werkneemster deze functies niet kan verrichten en waarom de functies zijn vervallen. Ook heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een toelichting gegeven op de urenomvang van functie 9071.0004.046, te weten dat deze functie een urenomvang kent van 30,02 uur per week. Omdat ex-werkneemster maximaal dertig uur per week belastbaar is, is genoemde functie wegens een overschrijding van de urenbeperking niet passend. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien deze toelichting voor onjuist te houden.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat de conclusies logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen. Volgens appellante is er een grote discrepantie tussen de geclaimde beperkingen van ex-werkneemster en de forse aangenomen beperkingen en het afwezig zijn van enige behandeling.

Appellante heeft gesteld dat de urenbeperking niet deugdelijk is gemotiveerd. De argumenten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn hiervoor niet voldoende. Exwerkneemster heeft dertien jaar geleden eenmalig een psychose gehad. Nadien is geen psychose meer ontstaan, ook niet toen zij begin 2022 depressieve klachten had. Dit kan volgens appellante niet als onderbouwing gelden voor de urenbeperking. Het moeite hebben met het aangeven van grenzen is een karaktereigenschap van ex-werkneemster en hangt niet samen met een bestaande ziekte zodat ook dit niet als onderbouwing kan gelden voor de urenbeperking.

Hoewel de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een toelichting heeft gegeven over waarom de niet-eindgeselecteerde functies niet passend zijn heeft appellante het standpunt gehandhaafd dat het onzorgvuldig is dat de arbeidskundig analist niet heeft geverifieerd of er in de functie van teamondersteuner (functienummer 9071.0004.046) sprake zou kunnen zijn van een schrijffout van de zijde van de werkgever. Ook is het onzorgvuldig dat er geen overleg heeft plaatsgevonden met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de eventuele minimale overschrijdingen in een aantal specifieke niet-eind geselecteerde functies. Appellante wijst hierbij op rechtspraak van de Raad waaruit volgt dat bij de beoordeling van de passendheid van functies, inclusief de niet-geselecteerde functies, in het kader van de zorgvuldigheid de verzekeringsarts bezwaar en beroep dient te worden betrokken.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

In de FML van 28 november 2023 zijn aanzienlijke beperkingen aangenomen voor de psychische klachten van ex-werkneemster en is zij niet geschikt geacht voor ’s nachts werken, en is een urenbeperking opgenomen van maximaal zes uur per dag/maximaal dertig uur per week. Uit het rapport van 28 november 2023 volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op grond van preventieve redenen deze urenbeperking geïndiceerd heeft geacht, vanwege de depressie met psychose in de voorgeschiedenis en omdat uit de brief van 4 februari 2022 van de psycholoog naar voren komt dat ex-werkneemster moeite heeft met het aangeven van haar grenzen. In het rapport van 8 maart 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat ex-werkneemster verhoogd psychosegevoelig en dat het van belang is een recidief psychose te voorkomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 13 augustus 2024 nog toegelicht dat hij ex-werkneemster fysiek op het spreekuur heeft gezien en dat haar algehele presentatie/voorkomen op dit spreekuur heeft bijgedragen aan het stellen van de lichte urenbeperking, waarbij het ging om de gespannenheid en de afwezigheid van aanwijzingen voor aggravatie. Deze waarnemingen in combinatie met de psychiatrische voorgeschiedenis van ex-werkneemster hebben de doorslag gegeven om haar niet fulltime belastbaar te achten in passend werk.

In wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Raad aanleiding te oordelen dat het Uwv de urenbeperking niet voldoende deugdelijk en inzichtelijk heeft gemotiveerd. Hierbij is van belang dat de psychose van ex-werkneemster reeds geruime tijd geleden was, dat onduidelijkheid bestaat over de duur en de ernst van die psychose (daaromtrent bevinden zich geen stukken in het dossier), dat ex-werkneemster daarna jarenlang fulltime heeft gewerkt, waarvan de laatste jaren in een leidinggevende functie, dat toen bij haar in 2022 depressieve klachten ontstonden geen psychose is ontstaan, dat zij ten tijde van de datum in geding niet in behandeling was voor haar psychische klachten of hiervoor medicatie gebruikte en op dat moment weer voldoende hersteld was van de depressie. Deze omstandigheden zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende kenbaar meegewogen bij het aannemen van de urenbeperking.

Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.2 volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarom in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven het geconstateerde gebrek te herstellen. .

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het hiervoor gemelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S.PA. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) S.P.A. Elzer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand