23/2251 WIA-W2, 23/2482 WIA-W2, 26/109 WIA-W2
Datum beslissing: 12 augustus 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2023 en 4 juli 2023. Verder is er naar aanleiding van een nader besluit van 28 oktober 2025 een beroep van rechtswege ontstaan.
Op 18 mei 2026 heeft de Raad deze zaken van verzoeker ter zitting behandeld, met E.J.J.M. Weyers als behandelend rechter. Verzoeker heeft aan het eind van de zitting een wrakingsverzoek ingediend. Hij heeft dat verzoek op 3 juni 2026 schriftelijk toegelicht. Op 17 juni 2026 heeft hij op het hem toegezonden proces-verbaal gereageerd.
Het verzoek om wraking is op 13 juli 2026 behandeld ter zitting en bij beslissing van 20 juli 2026 afgewezen.
Op 5 augustus 2026 heeft verzoeker opnieuw een wrakingsverzoek ingediend.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Artikel 8:16, vierde lid, van de Awb bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2. In de kern komt wat verzoeker in zijn nieuwe wrakingsverzoek heeft aangevoerd erop neer dat de behandelend rechter hem ter zitting op 18 mei 2026 onvoldoende gelegenheid heeft gegeven zijn wrakingsgronden te formuleren. Dat betekent ook dat de wrakingskamer rekening had moeten houden met wat hij op 3 en 17 juni in het kader van zijn wrakingsverzoek aan de wrakingskamer heeft bericht.
3. Wat verzoeker heeft aangevoerd zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:16, vierde lid, van de Awb. Voor zover hij het niet eens is met de beslissing op zijn eerdere wrakingsverzoek en meent dat de wrakingskamer de stukken van 3 en 17 juni 2026 ten onrechte (gedeeltelijk) buiten beschouwing heeft gelaten, wijst de Raad erop dat tegen de beslissing van de wrakingskamer van 20 juli 2026 geen rechtsmiddel openstaat.
4. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen. Uit het bepaalde in artikel 3, vierde lid, onder e, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 volgt dat het houden van een zitting niet nodig is.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep neemt het verzoek om wraking niet in behandeling.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol (getekend) E.J.M. Heijs