ECLI:NL:CRVB:2026:1046

ECLI:NL:CRVB:2026:1046

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer 25/1247 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Intrekking en terugvordering ZW-uitkering. Appellant is niet verplicht verzekerd voor de ZW omdat hij niet werkzaam is geweest in een privaatrechtelijk dienstbetrekking.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1247 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2025, 23/1963 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZWuitkering van appellant heeft ingetrokken en teruggevorderd, omdat sprake is van een gefingeerd dienstverband waardoor appellant niet als werknemer verplicht verzekerd is voor die wet. Evenals de rechtbank, beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Düşünceli, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Düşünceli. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

[Naam B.V.] . ( [Naam B.V.] ) heeft appellant op 24 december 2021 ziek uit dienst gemeld na afloop van zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die liep van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021. Daarbij is vermeld dat appellant zich op 6 augustus 2021 ziek heeft gemeld bij [Naam B.V.] . Het Uwv heeft appellant met ingang van 3 januari 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

Naar aanleiding van een interne melding in mei 2022 heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde ZWuitkering. In dat kader zijn onder meer de interne systemen geraadpleegd, is informatie ingewonnen bij de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst, zijn bankgegevens van appellant opgevraagd bij Bunq en is informatie opgevraagd bij de boekhouder van [Naam B.V.] . Ook is appellant op 7 september 2022, in aanwezigheid van zijn toenmalige gemachtigde, gehoord door een onderzoeker van de afdeling Handhaving van het Uwv. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022. In dat rapport is op basis van alle onderzoeksgegevens geconcludeerd dat er voldoende gronden zijn om vast te stellen dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [Naam B.V.] .

Bij besluit van 1 december 2022 (primair besluit 1) heeft het Uwv beslist dat appellant geen ZWuitkering kan krijgen, omdat hij niet verplicht verzekerd is voor die wet. Volgens het Uwv is geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [Naam B.V.] , omdat de vereiste gezagsverhouding ontbreekt.

Bij besluit van 2 december 2022 (primair besluit 2) heeft het Uwv de ZWuitkering met ingang van 3 januari 2022 ingetrokken en de over de periode van 3 januari 2022 tot en met 7 november 2022 betaalde ZWuitkering ten bedrage van € 35.655,53 bruto van appellant teruggevorderd.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij brief van 18 juli 2023 heeft het Uwv zijn voornemen kenbaar gemaakt het bezwaar ongegrond te verklaren, maar de motivering van het primaire besluit 1 te wijzigen. Daarbij stelt het Uwv zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking omdat bij appellant geen sprake was van loonbetaling. Het Uwv heeft de intrekking en de terugvordering van ZWuitkering gehandhaafd. Appellant is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven op het voornemen, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij besluit van 30 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv, overeenkomstig zijn voornemen, het bezwaar tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard, met een wijziging van de motivering van primair besluit 1.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv met de gegevens uit het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022 voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van een reële privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [Naam B.V.] .

Appellant zou volgens de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2021 in dienst zijn getreden en werkzaam zijn geweest bij [Naam B.V.] . Volgens de arbeidsovereenkomst diende hij de werkzaamheden te verrichten op de locatie [adres] te [plaats 1] . Per 1 mei 2021 was de huur van dit pand echter al opgezegd en de onderneming er niet meer gevestigd. Appellant kan dus onmogelijk op de aangegeven locatie werkzaam zijn geweest ten tijde van zijn arbeidsovereenkomst. Daarnaast is sprake van twee verschillende arbeidsovereenkomsten. Eén voor bepaalde tijd en één voor onbepaalde tijd, beide ingaande per 1 juli 2021, elk met een verschillende collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing, elk met verschillende voorwaarden en afspraken, beide ondertekend op 1 juli 2021. Het is aannemelijk dat een werknemer niet twee verschillende arbeidsovereenkomsten ondertekent op dezelfde dag. Ook opmerkelijk is dat [Naam B.V.] appellant pas op 24 december 2021 heeft ziekgemeld per 6 augustus 2021 voor zijn werkzaamheden.

Uit bankafschriften blijkt dat appellant loon heeft ontvangen van [Naam B.V.] . De bedragen komen echter niet overeen met de salarisstroken. Het dienstverband is ingegaan per 1 juli 2022, maar pas in september 2022 (bedoeld is: 2021) is voor het eerst salaris betaald. Volgens de salarisspecificatie zou appellant in totaal € 22.225,72 netto aan salaris hebben ontvangen, inclusief vakantietoeslag. Volgens de bankafschriften heeft appellant in totaal € 17.500,- netto aan salaris ontvangen en géén vakantietoeslag. Appellant heeft nagenoeg op dezelfde dag dat er salaris werd betaald op zijn bankrekening eenzelfde bedrag overgeboekt naar de bankrekening van zijn zoon, [naam zoon] , de eigenaar van [Naam B.V.] . De zoon van appellant stortte de ontvangen bedragen weer terug naar de onderneming.

Met vorennoemde omstandigheden heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake is geweest van een reële privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het is vervolgens aan appellant om met gegevens te komen, waaruit blijkt dat dit niet juist is. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant hierin niet geslaagd. Appellant heeft verklaard, ook ter zitting, dat hij werkzaam is geweest op de locatie in [plaats 1] , terwijl op de datum dat de werkzaamheden zouden zijn aangevangen, namelijk 1 juli 2021, de huur van de locatie al was afgelopen. Appellant heeft verder gesteld dat hij veel werkzaamheden heeft verricht voor meerdere klanten, maar heeft hiervan geen gegevens overgelegd.

De rechtbank heeft het voldoende aannemelijk geacht dat geen sprake is geweest van een reële privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het Uwv heeft daarom terecht vastgesteld dat appellant geen recht had op een ZWuitkering met ingang van 6 augustus 2021 (bedoeld is: 3 januari 2022) en terecht de ZWuitkering ingetrokken en teruggevorderd.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant is van mening dat de aangevallen uitspraak onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank is onvoldoende ingegaan op zijn stelling dat uit het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022 onvoldoende blijkt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De bewijslast hiervoor rust bij het Uwv. Het feit dat appellant niet vanuit de locatie [plaats 1] heeft gewerkt, betekent niet dat hij geen werkzaamheden heeft verricht voor [Naam B.V.] . Appellant heeft al tijdens de hoorzitting verklaard dat hij heeft gewerkt vanuit een andere locatie, namelijk vanuit [plaats 2] , maar dit aanvankelijk heeft verzwegen om zijn voormalige werkgever niet in de problemen te brengen vanwege de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Appellant erkent dat er verwarring kan zijn geweest over het feit dat er twee arbeidsovereenkomsten waren opgesteld. Dit was echter een administratief misverstand dat achteraf is hersteld. Ook uit de verlate ziekmelding van 24 december 2021 per 6 augustus 2021 en de verlate salarisbetaling kan niet worden afgeleid dat er geen dienstbetrekking was. Fouten en nalatigheden van de werkgever kunnen niet zonder meer aan appellant worden tegengeworpen. Volgens appellant heeft het Uwv onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Hij had een schuld bij [naam zoon] , zijn zoon, en betaalde met het ontvangen salaris zijn schuld af. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij werkzaamheden heeft verricht voor meerdere klanten. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellant drie verklaringen overgelegd van personen, die hebben verklaard dat zij in het verleden zaken hebben gedaan met appellant.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.

Een besluit tot intrekking en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellant niet werkzaam is geweest bij [Naam B.V.] op basis van een arbeidsovereenkomst en daardoor niet verplicht verzekerd was voor de ZW. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv op basis van de onderzoeksgegevens uit het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant niet werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [Naam B.V.] . Hiermee heeft het Uwv voldaan aan de op haar liggende bewijslast. Ook in hoger beroep heeft appellant niet de onjuistheid van dat standpunt met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk heeft gemaakt. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt nog het volgende overwogen.

Over de werklocatie heeft appellant wisselende verklaringen afgelegd. Ter zitting heeft appellant voor het eerst verklaard dat hij zowel op de locatie in [plaats 2] als in [plaats 1] heeft gewerkt. Daar staat tegenover dat de heer [naam] , eigenaar van het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats 1] , heeft verklaard dat de huur van dit pand per 1 mei 2021 was opgezegd en [Naam B.V.] daar niet meer was gevestigd, zodat appellant niet op deze locatie kan hebben gewerkt.

Het standpunt van appellant dat de verwarring over de arbeidsovereenkomsten – één voor bepaalde tijd en één voor onbepaalde tijd – berust op een administratief misverstand is niet geloofwaardig. De beide arbeidsovereenkomsten verschilden ook op diverse andere essentiële onderdelen van elkaar en het is niet geloofwaardig dat appellant op dezelfde datum twee arbeidsovereenkomsten tekent die op tal van wezenlijke punten van elkaar verschillen. Een redengevende verklaring hiervoor heeft appellant niet gegeven.

Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn salaris bij [Naam B.V.] heeft overgemaakt naar zijn zoon, [naam zoon] , in verband met de aflossing van een schuld. Appellant heeft geen leenovereenkomst, schuldbekentenis of andere objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt van een lening bij zijn zoon.

De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaringen leiden niet tot een ander oordeel. Deze verklaringen zijn erg summier en onvoldoende concreet, zodat niet op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat appellant voor [Naam B.V.] werkzaamheden heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de ZWuitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D. Semiz

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

Bijlage: Toepasselijke wettelijke bepalingen

Artikel 3, eerst lid, van de ZW:

Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

Artikel 20 van de ZW:

De werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd.

Artikel 30a van de ZW:

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt het dat in:

a . indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;

b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 28,31, 45 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.

2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

Artikel 33 van de ZW:

1. Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

(…)

6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand