ECLI:NL:CRVB:2026:1047

ECLI:NL:CRVB:2026:1047

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer 23/2371 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Beëindiging WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Uitgaande van de juistheid van de FML, bestaat er geen reden om te twijfelen aan de passendheid van de geselecteerde functies. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

23/2371 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juni 2023, 21/847 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (ex-werkgever)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante per 6 april 2021 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.L.M. van den Reek, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 augustus 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Reek. Het Uwv is niet verschenen. Namens exwerkgever is mr. C.J.M. de Wit, advocaat, verschenen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv nadere schriftelijke vragen te stellen. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord en daaraan een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag gelegd. Appellante heeft hierop gereageerd. Het Uwv heeft vervolgens een nadere reactie gegeven.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als kantinemedewerker voor 39,82 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 24 maart 2015 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 24 februari 2016 in aanmerking gebracht voor een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.

Het Uwv heeft bij besluit van 9 januari 2020 aan appellante met ingang van 27 juni 2019 een IVA-uitkering toegekend. Ex-werkgever heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en zich op het standpunt gesteld dat de IVA-uitkering ten onrechte pas per 27 juni 2019 is toegekend.

Bij besluit van 22 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van ex-werkgever ongegrond verklaard en is de IVA-uitkering van appellante per 6 april 2021 beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een psychiatrische expertise laten verrichten waarna de beperkingen van appellante zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 februari 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 0,00%.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Appellante heeft daarnaast voldoende ruimte gehad om medische stukken in te dienen om haar standpunt te onderbouwen. Zij heeft hier ook gebruik van gemaakt door informatie van haar behandelaars in te brengen.

Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat bij appellante geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Appellante heeft onvoldoende meegewerkt aan het psychiatrisch onderzoek waardoor de psychiater van Psyon geen definitieve (psychiatrische) diagnose heeft kunnen vaststellen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat uit de medische informatie geen medische oorzaak blijkt voor de fysieke klachten van appellante. Ook bij het eigen spreekuur werden geen tekenen van lijdensdruk of pijn gezien, maar eerder een bepaalde onverschilligheid. Het gedrag van appellante tijdens het spreekuur is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet passend. Er waren voorafgaand aan het gaan liggen namelijk geen tekenen van pijn of onrust bij appellante en tijdens het spreekuur van ruim een uur waren er ook geen tekenen van ernstige pijnklachten en was er uiterlijk niets te zien bij appellante. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante subjectieve buikklachten waarvoor geen fysieke oorzaak is gevonden en duiden die klachten mogelijk op een nagebootste stoornis, een aanpassingsstoornis en mogelijk simulatie, zonder verdere evidente psychopathologie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij het opstellen van de FML rekening gehouden met de buikklachten en de mogelijke aanpassingsstoornis en hiervoor diverse beperkingen aangenomen. Het auto-ongeluk in mei 2020 leidt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot meer beperkingen, omdat er geen nieuwe medische feiten zijn die wijzen op een wezenlijk andere belastbaarheid. Bij beeldvormend en neurologisch onderzoek van de hersenen en nek zijn geen afwijkingen gevonden die beperkingen met zich brengen. De beschikbare medische informatie bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectivering voor de ernst van de klachten in de mate waarin appellante die stelt.

Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat, uitgaande van de juistheid van de FML, er geen reden bestaat om te twijfelen aan de passendheid van de geselecteerde functies.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante vindt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het is onbegrijpelijk waarom zij volgens het Uwv in 2019 volledig arbeidsongeschikt was en in 2021 niet, terwijl haar medische situatie door een auto-ongeval in mei 2020 is verslechterd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante medische informatie van haar behandelaars overgelegd en onder meer verwezen naar het feit dat zij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) een rolstoel heeft gekregen. Appellante heeft verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen, omdat sprake is van een schending van het beginsel van equality of arms en zij financieel niet in staat is om een contra-expertise te laten verrichten. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te verrichten. Er is niet beoordeeld of appellante de geselecteerde functies met behulp van een rolstoel kan uitvoeren.

Het standpunt van het Uwv en ex-werkgever

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ook exwerkgever heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten. Dat doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

Anders dan appellante heeft gesteld, zijn de gevolgen van het auto-ongeluk op 15 mei 2020 door het Uwv betrokken bij de beoordeling. Het Uwv heeft gesteld dat de medische en arbeidskundige rapporten zien op de periode van 27 juni 2019 tot 6 april 2021, de datum waarop de IVA-uitkering is beëindigd. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 mei 2022 blijkt dat informatie van de behandelaars van appellante over het auto-ongeluk bij de beoordeling is betrokken, maar dat geen aanleiding is gezien voor het aannemen van verdergaande beperkingen. In het rapport van 7 oktober 2025 is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat fysiek zware belasting voor appellante al beperkt was in de FML en dat bij beeldvormende diagnostiek afwijkingen ontbreken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daar in hoger beroep aan toegevoegd dat het enkel ervaren van toegenomen klachten zonder duidelijk onderliggend medisch substraat onvoldoende is om aanvullende beperkingen te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd.

De beroepsgrond dat het Uwv bij het duiden van functies onvoldoende rekening heeft gehouden met het rolstoelgebruik van appellante, slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in antwoord op vragen van de Raad inzichtelijk gemotiveerd dat bij appellante geen sprake is van rolstoelafhankelijkheid, omdat uit de observaties bij het spreekuur en de bevindingen bij het onderzoek in bezwaar blijkt dat appellante in staat is om zelfstandig te lopen en zich zonder rolstoel te verplaatsen. Aan appellante is vanuit de Wmo een rolstoel toegekend op basis van een rapport van een Wmo-consulent en zonder dat daar een medische onderbouwing en beoordeling door een arts aan ten grondslag lag. Nu er geen medische onderbouwing is voor de rolstoelafhankelijkheid van appellante, is dit geen beletsel om de functies te verrichten.

Ook de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de behandelend neuroloog en endocrinoloog leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie hierop gesteld dat dit informatie betreft over de periode 2024-2025, dus geruime tijd na de datum in geding van 6 april 2021. Dat geldt ook voor het rapport van de Uwv-verzekeringsarts S.P. Krygsman van 20 mei 2025, dat is opgesteld in het kader van een door appellante op 29 oktober 2024 gedane Amber-melding. Dat er volgens deze verzekeringsarts in 2019 mogelijk al sprake was van een – in april 2024 gediagnosticeerde – hypofyseafwijking en de toegenomen beperkingen daarom zijn toe te schrijven aan dezelfde ziekteoorzaak, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding van 6 april 2021. Gelet op het rapport van de verzekeringsarts van 20 mei 2025 is er – ook volgens appellante zelf – inmiddels sprake van een aanzienlijke verslechtering van de medische situatie waardoor de belastbaarheid evident verminderd is ten opzichte van april 2021.

Verzoek om benoeming onafhankelijk deskundige

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, brengt het arrest Korošec niet mee dat de equality of arms geschonden is door het enkele feit dat een betrokkene niet zelf een rapport van een verzekeringsarts als contra-expertise in de procedure heeft kunnen inbrengen. Dat geldt ook in de situatie van appellante. Appellante heeft uitgebreide informatie van haar behandelend artsen ingebracht die naar aard en inhoud geschikt is om twijfel te zaaien over het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit het arrest Korošec volgt verder niet dat de rechter uit het oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk de informatie van de behandelaars hebben betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen. Van een schending van het beginsel van equality of arms is dan ook geen sprake, zodat er geen aanleiding is om op die grond een deskundige te benoemen. De vraag of appellante financieel in staat is om een rapport door een verzekeringsarts te laten opstellen kan daarom buiten beschouwing blijven. Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, wordt ook om die reden geen aanleiding gezien om over te gaan tot benoeming van een deskundige.

Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

De redelijke termijn is in het voorliggende geval aangevangen op het moment dat appellante kennisnam van het bezwaar van ex-werkgever tegen het besluit van 9 januari 2020. Nu dat moment niet uit de gedingstukken blijkt, gaat de Raad ervan uit dat het Uwv appellante uiterlijk een week na de ontvangst van het bezwaar van ex-werkgever van dat bezwaar op de hoogte heeft gesteld. Dat is een week na de ontvangst van het bezwaar op 17 februari 2020, dus op 24 februari 2020. Vanaf deze datum tot deze uitspraak zijn zes jaren en afgerond zes maanden verstreken, terwijl er geen omstandigheden zijn die een langere behandelduur dan vier jaar rechtvaardigen. De redelijke termijn is dan ook met twee jaar en zes maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv afgerond twaalf maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met zes maanden is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is afgerond één jaar en tien maanden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening van het Uwv onderscheidenlijk voor de Staat komt, wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 535,71 (6/28 deel van € 2.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.964,29 (22/28 deel van € 2.500,-).

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt afgewezen. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Er is wel aanleiding om de Staat en het Uwv beide voor de helft te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 0,5), dus € 233,50 voor zowel de Staat als het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.964,29;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 535,71;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M.J.D. van Haren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand