ECLI:NL:CRVB:2026:1048

ECLI:NL:CRVB:2026:1048

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer 23/3412 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen terecht. Hoger beroep slaagt. Geen toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging van de WIA-uitkering. Benoeming deskundige. Zorgvuldig onderzoek. Naar het oordeel van de Raad is er gelet op de conclusies van de deskundige geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van toegenomen beperkingen.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2023, 22/3196 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan betrokkene geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de beëindiging van de uitkering per 15 februari 2016. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard, omdat het Uwv bij zijn beoordeling niet de juiste maatstaf zou hebben gehanteerd. Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering aan betrokkene heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2025. Betrokkene is verschenen, vergezeld door zijn zoon en bijgestaan door mr. Fakiri. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

De Raad heeft het onderzoek heropend en dr. J.A. Bouwens, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 24 november 2025 gerapporteerd. Partijen hebben hun zienswijzen ingediend. De deskundige heeft op 12 februari 2026 nader gerapporteerd. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Betrokkene heeft voor het laatst gewerkt als teamleider bagagekelder voor gemiddeld 39,20 uur per week. Op 16 oktober 2008 heeft hij zich voor dit werk ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan betrokkene met ingang van 14 oktober 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Omdat de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant vanwege een psychiatrische stoornis geen benutbare mogelijkheden heeft is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv betrokkene met ingang van 14 november 2012 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij betrokkene onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.

In 2015 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene opnieuw beoordeeld. In het kader van deze beoordeling is in opdracht van het Uwv een expertiseonderzoek verricht door psychiater J.K. van der Veer. Deze psychiater heeft geconcludeerd dat bij betrokkene sprake is van een gedragsstoornis die niet voldoet aan de criteria voor een psychiatrische stoornis. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft vervolgens vastgesteld dat betrokkene geen beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid. Na beoordeling door een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 8 december 2015 de WIA-uitkering van betrokkene met ingang van 15 februari 2016 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 30 maart 2016 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 maart 2016 en een rapport van een expertise-onderzoek door M. Kazemier, psychiater, en [naam 1], psychiater in opleiding, ingediend. De rechtbank heeft aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. In dit kader hebben H.E. Becker, psychiater, en [naam 2], psychiater in opleiding, betrokkene in de periode van 16 tot en met 22 mei 2017 onderzocht tijdens een diagnostische opname. In een uitspraak van 13 juni 2018 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Met een uitspraak van 13 juni 2019 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Op 20 januari 2021 heeft betrokkene aan het Uwv gemeld dat zijn klachten sinds twee maanden zijn toegenomen. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 12 mei 2021 geweigerd betrokkene een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van betrokkene (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 15 februari 2016.

Bij besluit van 3 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 mei 2022 ten grondslag. In dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat als de klachten en bevindingen bij het huidige onderzoek worden vergeleken met de klachten en bevindingen bij het onderzoek door het Uwv in 2015 en de klinische opname in 2017, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat geen sprake is van een evidente verslechtering. Verder overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat op 15 februari 2016 geen sprake was van ziekte en van een toename van beperkingen dan ook geen sprake kan zijn.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Ook heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en bepaald dat het Uwv het door betrokkene betaalde griffierecht moet vergoeden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv, door te stellen dat geen sprake kan zijn van toegenomen beperkingen omdat op 15 februari 2016 geen sprake was van ziekte, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Uit de uitspraak van de Raad van 23 september 2020 volgt dat bij toepassing van artikel 57 van de Wet WIA bij een beroep op toegenomen beperkingen niet moet worden vergeleken met de beperkingen die golden ten tijde van de beëindiging van de uitkering, maar met de beperkingen die ten tijde van het einde van de wachttijd hebben geleid tot de toekenning van de WIA-uitkering. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene onafgebroken tot 15 februari 2016 op grond van deze medische beperkingen een WIA-uitkering heeft ontvangen. De rechtbank heeft overwogen dat zich een situatie voordoet waarvoor de Wet Amber in het leven is geroepen. Op enig moment is de WIA-uitkering van betrokkene beëindigd omdat de onderliggende medische beperkingen niet meer aan de orde waren. Vervolgens claimt de werknemer dat binnen vijf jaar na beëindiging van de WIA-uitkering dezelfde medische beperkingen weer zijn toegenomen. In dat geval dient te worden beoordeeld of dat inderdaad het geval is. Deze beoordeling is in deze casus tot op heden door het standpunt van het Uwv uitgebleven. Nu het Uwv een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd voor de beoordeling of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 57 van de Wet WIA dient het Uwv alsnog een medische beoordeling te laten plaatsvinden op grond van de juiste maatstaf.

Het standpunt van het Uwv

3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte alleen is ingegaan op het tweede standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en niet op het eerste standpunt, namelijk dat geen sprake is van een verslechtering van de medische situatie. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat uit de uitspraak van de Raad van 23 september 2020 volgt dat bij toepassing van artikel 57 van de Wet WIA een vergelijking moet worden gemaakt met de beperkingen die golden ten tijde van einde van de wachttijd en die hebben geleid tot toekenning van de WIA-uitkering. Het Uwv heeft er in dit verband op gewezen dat het in de betreffende uitspaak ging om de vraag of naast artikel 55 ook artikel 57 van de Wet WIA van toepassing was. De melding van toegenomen beperkingen vond in die situatie zowel binnen vijf jaar na de weigering van de WIA-uitkering per einde wachttijd als binnen vijf jaar na intrekking van de per latere datum alsnog toegekende WIA-uitkering. Dat leidde er in die situatie toe dat de beperkingen per einde wachttijd ook moesten worden vergeleken met de beperkingen ten tijde van de melding van toegenomen klachten. De situatie van betrokkene is hiermee niet vergelijkbaar, omdat de melding van toegenomen klachten niet plaatsvond binnen vijf jaar na een weigering van de uitkering per einde wachttijd, zodat artikel 55 van de Wet WIA hier niet van toepassing is maar uitsluitend artikel 57 van de Wet WIA. Het Uwv heeft in hoger beroep een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 januari 2024 ingediend. In dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat het standpunt, dat op datum intrekking geen sprake was van ziekte, een subsidiaire grond betreft. Het primaire standpunt is dat geen sprake is van toegenomen beperkingen

Het standpunt van betrokkene

4. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens betrokkene heeft het Uwv niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid vanuit dezelfde ziekteoorzaak, maar dat toegenomen arbeidsongeschiktheid niet mogelijk is omdat bij de beëindiging van de WIA-uitkering geen sprake was van ziekte. Voor het geval de Raad betrokkene hierin niet volgt, heeft hij verwezen naar wat hij in beroep heeft aangevoerd. Betrokkene is van mening dat wel degelijk sprake is van toegenomen klachten en dat dit tot toekenning van een WIAuitkering had moeten leiden. In dit verband heeft betrokkene gesteld dat het medisch onderzoek in bezwaar onzorgvuldig was, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hem niet op een spreekuur heeft gezien.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd. De Raad komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en dat het hoger beroep van het Uwv dus slaagt.

In artikel 57, eerste lid, van de Wet WIA is – kort gezegd – bepaald dat een eerder beëindigde WGA-uitkering kan herleven indien de verzekerde binnen vijf jaar opnieuw gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan eerder recht heeft bestaan op een WIA-uitkering.

Tijdens de zitting bij de Raad heeft het Uwv bevestigd dat niet in geschil is dat de klachten waarmee betrokkene zich in januari 2021 heeft gemeld voortkomen uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder een WIA-uitkering heeft genoten, namelijk psychische klachten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een toename van beperkingen als gevolg van deze klachten.

De Raad heeft al eerder overwogen dat voor de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen in het kader van artikel 57, eerste lid, van de Wet WIA een vergelijking moet worden gemaakt van de medische beperkingen die golden ten tijde van de beëindiging van de WIA-uitkering en de medische beperkingen die zijn vastgesteld naar aanleiding van het verzoek om toekenning van uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat zij deze vergelijking hebben gemaakt en dat is geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen, omdat het medisch beeld niet is verslechterd ten opzichte van de beoordeling door het Uwv in 2015 en het deskundigenonderzoek in 2017. Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, wordt dus niet gevolgd.

Omdat bij de Raad twijfel bestond over de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van toegenomen beperkingen, heeft de Raad een psychiater als deskundige benoemd. Aangezien betrokkene in zijn melding van 20 januari 2021 heeft geschreven dat zijn klachten sinds twee maanden zijn toegenomen en gelet op de in artikel 57, eerste lid, van de Wet WIA genoemde termijn van vijf jaar, heeft de Raad de deskundige gevraagd om de situatie in de periode van november 2020 tot 15 februari 2021 te beoordelen. De deskundige heeft in zijn rapport van 24 november 2025 geschreven dat betrokkene maar zeer beperkt onderzoekbaar is en dat daardoor fijnmazige uitspraken over zijn psychische functioneren beperkt mogelijk zijn. Over de langere termijn, inclusief de periode van november 2020 tot 15 februari 2021, sluiten de bevindingen volgens de deskundige nauw aan bij de rapporten van het expertise-onderzoek in 2015 en het deskundigenonderzoek in 2017.

Het Uwv heeft in het rapport van de deskundige een bevestiging gezien van zijn standpunt dat geen sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van de psychische klachten.

Ook betrokkene heeft gereageerd op het rapport van de deskundige. Hij heeft – kort samengevat – naar voren gebracht dat de deskundige, gelet op de moeilijkheden die hij ondervond bij de communicatie met betrokkene, zijn onderzoek had moeten staken. Verder stelt betrokkene dat de deskundige ten onrechte niet heeft onderzocht of de beperkte medewerking aan het onderzoek voort zou kunnen vloeien uit de cognitieve beperkingen die zijn vastgesteld bij een neuropsychologisch onderzoek (NPO) dat in 2022 is verricht. Ook is de deskundige niet ingegaan op een door betrokkene in beroep ingediende brief van een klinisch psycholoog, waarin kanttekeningen zijn geplaatst bij de symptoomvalidatietesten die zijn toegepast bij de onderzoeken in 2015 en 2017. Volgens betrokkene kan uit het rapport van de deskundige worden afgeleid dat er in de in geding zijnde periode wel degelijk sprake was van psychische problematiek en moet op basis daarvan geconcludeerd worden dat de medische beperkingen zijn genomen. Hij heeft de Raad verzocht om een verzekeringsarts als deskundige te benoemen zodat deze de voor betrokkene geldende beperkingen neer kan leggen in de Functionele Mogelijkhedenlijst.

De Raad heeft de reacties van partijen voorgelegd aan de deskundige. In het nadere rapport van 12 februari 2026 heeft de deskundige te kennen gegeven dat deze reacties geen aanleiding geven om zijn conclusies te wijzigen.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een afhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundig hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Hoewel de deskundige in het rapport van 24 november 2025 heeft geschreven dat betrokkene beperkt onderzoekbaar was, heeft hij in datzelfde rapport inzichtelijk toegelicht dat op basis van de twee onderzoeksmomenten, de heteroanamnese bij de zoon en de externe stukken een consistent beeld is ontstaan, met name op het vlak van passiviteit en weigering mee te werken. De Raad ziet geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek door de deskundige niet zorgvuldig was of dat hij, zoals door betrokkene is gesteld, het onderzoek had moeten staken. De Raad ziet in wat betrokkene verder heeft aangevoerd ook geen aanleiding om de conclusies van de deskundige voor onjuist te houden. De deskundige heeft duidelijk, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd uiteengezet hoe hij tot zijn conclusies is gekomen en is daarbij ook ingegaan op de vraag of het gedrag dat hij tijdens het onderzoek bij betrokkene waarnam kan worden verklaard vanuit een psychiatrische stoornis. Het rapport van het NPO, en ook de door betrokkene in bezwaar ingediende brieven van GGZ inGeest uit 2021 en 2022, heeft de deskundige bij zijn beoordeling betrokken. In het rapport van 12 februari 2026 is de deskundige nader op deze stukken ingegaan en heeft hij toegelicht dat daaruit weliswaar blijkt dat er enige beperkingen in de aandacht zijn maar van ernstige afwijkingen, zoals die passen bij een primaire cognitieve stoornis, niet wordt gesproken. Naar het oordeel van de Raad is er gelet op de conclusies van de deskundige geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Er is daarom geen reden om, zoals door betrokkene is verzocht, een verzekeringsarts als deskundige te benoemen.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep van het Uwv slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat de weigering van het Uwv om betrokkene een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. Het betekent ook dat de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling komt te vervallen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en E. Dijt en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van L. Siebes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) L. Siebes

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 57, eerste lid, van de Wet WIA:1.Indien op grond van artikel 56 het recht op een WGA-uitkering is geëindigd, herleeft het recht op die uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, indien hij op de dag daaraan voorafgaand:

a. recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;

b. minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na:

1°. de dag dat het recht op grond van artikel 56 is geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering; of

2°. de in artikel 49 bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; of

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand