SAMENVATTING
24/171 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2023, 22/2117 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Het gaat in deze zaak om de vraag of de door het Uwv vastgestelde (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid en terugvordering van de WAOuitkering van betrokkene over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 in stand blijft. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.
PROCESVERLOOP
Namens betrokkene heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Betrokkene is op 4 januari 2024 overleden. Appellanten hebben de procedure voortgezet.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Betrokkene ontving sinds 4 november 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar aanleiding van een melding van 17 november 2021 dat betrokkene naast zijn WAOuitkering werkzaamheden als vrijwilliger zou verrichten, is het Uwv een onderzoek gestart. In het kader van dat onderzoek heeft een medewerker van het Uwv inkomensgegevens van betrokkene over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2020 bij de Belastingdienst opgevraagd. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat betrokkene aan de Belastingdienst heeft opgegeven dat in 2019 de winst uit onderneming € 15.345,- bedraagt.
Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het Uwv geconcludeerd dat betrokkene naast zijn WAOuitkering werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Met een besluit van 1 februari 2022 heeft het Uwv de WAOuitkering van betrokkene over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 met toepassing van artikel 44 van de WAO wegens inkomen uit arbeid verlaagd, waardoor de WAOuitkering van betrokkene over die periode is gebaseerd op een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en een bedrag van € 8.800,86 bruto teruggevorderd.
Met een beslissing op bezwaar van 18 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 1 februari 2022 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv het standpunt ten grondslag gelegd dat wordt uitgegaan van de door betrokkene gemaakte fiscale keuzes, dat die keuzes onderdeel zijn van een normale bedrijfsvoering en dat geen sprake is van een bijzonder geval.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de WAOuitkering van betrokkene over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 met toepassing van artikel 44 van de WAO wegens inkomen uit arbeid heeft verlaagd, waardoor de WAOuitkering van betrokkene over die periode is gebaseerd op een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, heeft de rechtbank overwogen dat bij beantwoording van de vraag of ontvangen inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige als inkomen uit arbeid moet worden aangemerkt als bedoeld in artikel 44 van de WAO, in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte en door de fiscus gehonoreerde keuze. Deze hoofdregel lijdt slechts uitzondering als aantoonbaar sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de aan de fiscus gedane opgave niet tot uitgangspunt kan worden genomen.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat niet in geschil is dat de winst uit onderneming volgens de (definitieve) aangifte van betrokkene in 2019 € 15.345,- bedraagt. Uitsluitend in geschil is of, zoals betrokkene heeft aangevoerd, daarop een bedrag van € 7.569,- aan zogenoemde willekeurige afschrijving van een startende ondernemer in mindering moet worden gebracht, zodat het inkomen uit arbeid over 2019 op een bedrag van € 7.776,- moet worden vastgesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank is betrokkene er niet in geslaagd om aan te tonen dat hier sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de hoofdregel rechtvaardigen. De willekeurige afschrijving die betrokkene in 1999 heeft genoten als fiscale faciliteit voor startende ondernemers is niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid aan te merken. De rechtbank heeft van belang geacht dat betrokkene ter zitting heeft verklaard dat door startende ondernemers veel gebruik wordt gemaakt van deze fiscale faciliteit en dat deze door hem gemaakte fiscale keuze onderdeel is van een normale bedrijfsvoering.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht over 2019 de fiscaal verantwoorde en vastgestelde winst uit onderneming van € 15.345,- als inkomen uit arbeid heeft aangemerkt, dat betrokkene te veel WAOuitkering heeft ontvangen en dat het Uwv terecht € 8.800,86 van betrokkene heeft teruggevorderd.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij hebben aangevoerd dat het Uwv bij de verlaging van de WAOuitkering over 2019 ten onrechte is uitgegaan van het door betrokkene aan de Belastingdienst opgegeven bedrag van € 15.345,- aan winst uit onderneming als inkomen uit arbeid. Volgens appellanten is de door betrokkene in 1999 genoten fiscale faciliteit voor startende ondernemers ten bedrage van € 7.569,- aan te merken als een bijzondere omstandigheid, welke fiscale faciliteit daarom op voormeld bedrag aan winst uit onderneming in mindering moet worden gebracht. Het inkomen uit arbeid moet volgens appellanten op een bedrag van € 7.776,- worden vastgesteld. In dat geval wordt de mate van arbeidsongeschiktheid niet lager vastgesteld en blijft dus 80 tot 100%.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
Op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO – zoals deze bepaling ten tijde hier van belang luidde – wordt, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, wordt de fiscaal verantwoorde en vastgestelde (netto) winst van een zelfstandige, behoudens bijzondere gevallen, aangemerkt als inkomen uit arbeid in de zin van artikel 44 van de WAO. Daarbij wordt in beginsel doorslaggevende betekenis toegekend aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte en door de fiscus gehonoreerde keuze. Deze hoofdregel lijdt slechts uitzondering indien aantoonbaar sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de aan de fiscus gedane opgave niet tot uitgangspunt kan worden genomen.
In geschil is de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die bij het bepalen van de hoogte van het inkomen uit arbeid, een uitzondering op de hoofdregel dat mag worden uitgegaan van het door betrokkene aan de Belastingdienst opgegeven bedrag aan winst uit onderneming van € 15.345,- rechtvaardigen. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.
In hoger beroep zijn in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven, zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen.
Appellanten kunnen zich, zoals bleek ter zitting, niet vinden in de hoofdregel, zoals geformuleerd in de hiervoor vermelde vaste rechtspraak. Zij wijzen daarbij op de beperkte arbeidsomvang in het eigen bedrijf en de relatie tussen de inkomsten en de verdiencapaciteit. Dit leidt niet tot een ander oordeel. Zoals volgt uit de rechtspraak leveren deze aspecten geen bijzondere omstandigheid op.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de verlaging van de WAOuitkering van betrokkene over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 en de terugvordering van de te veel ontvangen WAOuitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D. Semiz