25/1763 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juni 2025, 24/2527 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats], Italië (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Katwijk (college)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 6 januari 2026 heeft de Raad met overeenkomstige toepassing van artikel 8:54 in samenhang met artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 juni 2025 afgewezen omdat verzoeker geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 25 juni 2026. Appellant heeft via een online beeldverbinding aan de zitting deelgenomen. Het college is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Verzoeker voert in verzet aan dat het afdoen van zijn herzieningsverzoek zonder dat de Raad een zitting heeft gehouden een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden vormt. Een mondelinge behandeling kan volgens hem alleen achterwege blijven indien er geen sprake is van betwiste feiten en complexe rechtsvragen. Verzoeker stelt dat daar in dit geval wel sprake van is, terwijl ook artikel 4:8 van de Awb voorschrijft dat een belanghebbende in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen voordat een besluit genomen wordt. Daarnaast voert verzoeker aan dat hem structureel relevante stukken zijn onthouden en er sprake is van een onvolledig dossier. Ook is er bij verzoeker twijfel over onpartijdigheid. Volgens verzoeker is er sprake van manipulatie en corruptie en is er aanleiding om aan te nemen dat het college druk heeft uitgeoefend teneinde een uitspraak te verkrijgen in het voordeel van het college. Voornoemde punten vergen feitelijk en juridisch onderzoek en kunnen niet als kennelijk ongegrond worden afgedaan zonder een mondelinge behandeling ter zitting, zo begrijpt de Raad het betoog van verzoeker.
Het oordeel van de Raad
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, ziet uitsluitend op de vraag of de Raad ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van – in dit geval – het verzoek om herziening van de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat de beoordeling van de Raad in deze verzetsprocedure een beperkte is.
Volgens vaste rechtspraak dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie over een uitspraak –in dit geval: de uitspraak van 3 juni 2025 – te voeren of te openen. Nu verzoeker geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, heeft de Raad daarom bij de uitspraak van 6 januari 2026 terecht tot vereenvoudigde afhandeling – zonder een mondelinge behandeling – besloten. Door het instellen van verzet is verzoeker op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb alsnog in de gelegenheid gesteld gehoord te worden. Van deze mogelijkheid heeft verzoeker gebruik gemaakt.
Voor de stelling van verzoeker dat hem structureel relevante stukken zijn onthouden en er sprake zou zijn van een onvolledig dossier bestaat geen onderbouwing omdat alle in het geding inkomende stukken aan partijen zijn doorgezonden. Van schending van de goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen is dan ook geen sprake. Tot slot merkt de Raad met betrekking tot de door verzoeker gestelde manipulatie en corruptie nog op dat er geen enkele aanwijzing is die daarop zou kunnen duiden.
Gelet op het vorenstaande verklaart de Raad het verzet ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) R.E. Lysen