25/201 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2024, SHE 23/3172 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
PROCESVERLOOP
In een uitspraak van 10 december 2025 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 25 juni 2026. Voor appellant is mr. E. Akdeniz online verschenen. Het college is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspaak waarin zijn beroep ongegrond is verklaard. De Raad heeft het hoger beroep van appellant in de uitspraak van 10 december 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig is ingediend en er geen (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 4 december 2024. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op 4 december 2024. De laatste dag waarop tijdig een hoger beroepschrift kon worden ingediend was 15 januari 2025. Het hoger beroepschrift is op 27 januari 2025 ontvangen. De termijn voor het indienen van het hoger beroep is dus overschreden. Bij brief van 20 juni 2025 is door de Raad gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
De gemachtigde van appellant heeft daar op 16 juli 2025 op geantwoord dat de uitspraak op 4 december 2024, die aangetekend was verzonden, retour is gegaan naar de rechtbank, wegens problemen met het ontvangen van aangetekende post van de gemachtigde. Vervolgens heeft de rechtbank op 23 december 2024 de uitspraak per gewone post aan de gemachtigde verzonden. Omdat in de brief van de rechtbank van 23 december 2024 niet was aangegeven dat voor de aanvang van de termijn van zes weken werd uitgegaan van 4 december 2024, is aangenomen dat die termijn startte op het moment waarop de uitspraak per gewone post werd verzonden, 23 december 2024.
In verzet is dit standpunt herhaald. Het standpunt van de gemachtigde van appellant is dat hij tijdig hoger beroep heeft ingediend, omdat door het opnieuw verzenden van de aangevallen uitspraak op 23 december 2024 er vanaf die datum een nieuwe termijn is gaan lopen voor het indienen van hoger beroep. Verder is gewezen op gebreken in de aangetekende postbezorging aan het adres van gemachtigde en dat er daarvoor voldoende maatregelen waren getroffen. Vanwege die gebreken heeft hij in de betreffende periode diverse malen contact opgenomen met bestuursorganen en rechtelijke colleges om na de gaan of besluiten of uitspraken waren verzonden. Volgens hem is de toezending op 23 december 2024 van de uitspraak van 4 december 2024 ook het gevolg van een dergelijk contact. Gemachtigde stelt ook dat door de verschillende data met betrekking tot de uitspraak en verzending er verwarring is ontstaan over het aanvangsmoment van de hoger beroepstermijn. Gemachtigde stelt ook dat deze verwarring niet het gevolg is van nalatigheid maar van gebrekkige postbezorging.
Uit de tweede verzending van de aangevallen uitspraak kon niet worden afgeleid dat de hoger beroepstermijn zou gaan lopen op de datum van verzending daarvan, 23 december 2024. In de aangevallen uitspraak werd immers verwezen naar de hoger beroepstermijn van zes weken, zonder dat daarbij die datum als moment waarop de termijn een aanvang neemt werd benoemd. Verder is de gemachtigde van appellant een professionele rechtshulpverlener. Een professionele gemachtigde is bekend met de regels over de aanvang en afloop van een hoger beroepstermijn, dan wel mag worden verondersteld daarmee bekend te zijn. Bij de ontvangst van de aangevallen uitspraak resteerde nog ruim voldoende tijd om hoger beroep in te stellen. Als professioneel gemachtigde wist de gemachtigde van appellant verder dat hij, met het oog op de tijdigheid daarvan, ook een beperkt hoger beroep had kunnen instellen teneinde dat later aan te vullen.
Appellant heeft daarom in verzet geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck