ECLI:NL:CRVB:2026:1055

ECLI:NL:CRVB:2026:1055

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer 25/1300 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Intrekking en terugvordering ZW-uitkering. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv op basis van de bevindingen vermeld in het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 1 februari 2023 en de overige stukken aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat hij niet verplicht verzekerd was voor de ZW.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1300 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2025, 24/924 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

In deze zaak oordeelt de Raad, anders dan de rechtbank, dat het Uwv terecht de ZWuitkering van betrokkene heeft ingetrokken en teruggevorderd omdat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband en betrokkene daarom niet verplicht verzekerd was voor de ZW.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Mr. S. van der Eijk, advocaat, heeft zich als gemachtigde van betrokkene gesteld en nadere stukken ingezonden.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Eijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

Betrokkene is met ingang van 1 februari 2020 een arbeidsovereenkomst aangegaan met [naam 1] ( [naam 1] ). Dit betrof een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van twaalf maanden. Volgens deze arbeidsovereenkomst was betrokkene aangesteld in de functie van betonmedewerker en was hij belast met onder andere passen en meten, schoonmaken, gaten boren, betonpalen stellen, bekisting stellen, ontkisten en betonijzer vlechten. Volgens de arbeidsovereenkomst bedroeg de arbeidsduur bedroeg veertig uur per week, waren de wekelijkse werktijden van maandag tot zaterdag van 07:00 uur tot 16:00 uur, met inbegrip van zestig minuten pauze en bedroeg het overeengekomen loon € 2.500,08 netto per maand, met daarnaast 8% vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst was de cao Bouw en Infra van toepassing.

Op 26 februari 2021 is namens [naam 1] betrokkene met terugwerkende kracht vanaf 13 maart 2020 ziekgemeld bij het Uwv en voor hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aangevraagd. Bij besluit van 9 april 2021 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 13 maart 2020 een ZW-uitkering toegekend, omdat hij voldoet aan de voorwaarden voor een no-riskpolis. De ZW-uitkering is uitbetaald aan betrokkene.

Naar aanleiding van een interne fraudemelding heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene betaalde ZW-uitkering. In dat kader heeft het Uwv onder meer Suwinet, Uwv-systemen en andere systemen geraadpleegd, informatie opgevraagd bij de Belastingdienst, [naam administratiekantoor] , waar [naam 1] destijds klant was, en bij Interpolis, waar [naam 1] ook klant was. Het Uwv heeft ook transactieoverzichten van betrokkene opgevraagd bij de ASN-bank en de ING-bank. Daarnaast is betrokkene op 15 augustus 2022 gehoord door twee medewerkers van de directie Handhaving van het Uwv. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 1 februari 2023. In dit rapport is geconcludeerd dat het aannemelijk is dat betrokkene geen werkzaamheden heeft verricht voor [naam 1] .

Bij besluit van 5 juni 2023, vervangen door het besluit van 15 augustus 2023 (primaire besluit), heeft het Uwv de ZW-uitkering van betrokkene met ingang van 13 maart 2020 ingetrokken en de over de periode van 13 maart 2020 tot en met 10 maart 2022 betaalde ZW-uitkering ten bedrage van € 92.148,70 bruto van teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat sprake is van een gefingeerd dienstverband en dat betrokkene daarom niet als werknemer verplicht verzekerd was voor de ZW.

Bij beslissing op bezwaar van 11 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

Met toepassing van artikel 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht heeft een rechter-commissaris op 12 maart 2025 twee getuigen, te weten [naam 1] en [naam 2] , op 12 maart 2025 gehoord, in aanwezigheid van partijen. Van deze verhoren is een procesverbaal opgemaakt en partijen hebben hierop gereageerd. Vervolgens is de zaak behandeld op een zitting van 10 april 2025.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene in het geheel geen arbeid als werknemer heeft verricht en dat er sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband.

De rechtbank heeft van belang geacht dat [naam 1] onder ede heeft verklaard dat betrokkene voor hem heeft gewerkt en dat hij in de eerste week van het dienstverband van betrokkene elke dag samen met betrokkene in het bedrijfspand aanwezig was om betrokkene het werk te leren. Betrokkene heeft op de zitting uitgebreid en gedetailleerd verteld over de werkzaamheden die hij deed, ook in de periode dat [naam 1] naar Amerika was vertrokken. De rechtbank heeft het Uwv niet kunnen volgen in zijn stelling dat betrokkene niet bij [naam 1] gewerkt zou kunnen hebben, omdat het volgens het Uwv onwaarschijnlijk is dat het autogaragebedrijf van de heer [naam 3] drie maanden na de start daarvan al zou zijn beëindigd. Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor van [naam 3] op 10 september 2024 volgt dat laatstgenoemde heeft verklaard dat zijn bedrijf [naam bedrijf] in het bedrijfspand was gevestigd vanaf 2019 tot en met 2021. Hij heeft echter niet specifiek verklaard dat hij ook daadwerkelijk werkzaamheden uitvoerde voor zijn garagebedrijf in februari en maart 2020. [naam 1] heeft daartegenover onder ede verklaard dat [naam 3] er niet meer was op 1 februari 2020. Verder heeft [naam 1] onder ede verklaard dat er nog veel spullen van [naam 3] in het bedrijfspand stonden. Ook betrokkene heeft op de zitting verklaard dat er autobanden en chemische spullen in het bedrijfspand stonden waarvan hij denkt dat die van [naam 3] zijn geweest. Hij heeft verklaard dat hij [naam 3] nog nooit heeft gezien.

De rechtbank heeft de onderzoeksbevindingen van het Uwv in het onderzoeksrapport van 1 februari 2023 onvoldoende geacht om daaraan de conclusie te verbinden dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. Deze bevindingen doen ten eerste niet af aan het feit dat er een arbeidsovereenkomst is gesloten tussen betrokkene en [naam 1] en dat [naam 1] maandelijks loon heeft overgemaakt. Daarnaast heeft [naam 2] over zijn e-mail aan [naam administratiekantoor] , om met terugwerkende kracht een arbeidsovereenkomst en loonstroken op te maken en waarin wordt doorgegeven dat betrokkene ziek is, onder ede uitgelegd waarom dit zo is gegaan, te weten omdat [naam administratiekantoor] een code moest weten en het – mede door corona – wat langer duurde om die code te krijgen. Verder heeft [naam 2] onder ede uitgelegd waarom is geprobeerd om het verzekerd loon bij Interpolis te verhogen tijdens de ziekte van betrokkene; dit had te maken met de hoge pensioenpremie die de werkgever voor betrokkene aan het Bpf Bouw (pensioenfonds) was verschuldigd.

Ook uit de overige onderzoeksbevindingen, namelijk dat betrokkene in een gesprek met twee onderzoekers van het Uwv op 15 augustus 2022 heeft verteld dat hij zijn bankpas van zijn ASN-rekening – de rekening waar zijn salaris op werd gestort – uitleende aan [naam 2] en dat het jaarloon van betrokkene in 2020 € 47.696,- bedroeg terwijl de jaaromzet van [naam 1] in dat jaar € 54.246,- was, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat betrokkene in het geheel geen arbeid heeft verricht en dat het dienstverband gefingeerd zou zijn. De rechtbank is het met het Uwv eens dat de precieze invulling van de werkrelatie tussen betrokkene en [naam 1] op onderdelen niet geheel duidelijk is, zoals de vraag waarom [naam 1] niet voor betrokkene de intredekeuring, die volgens de cao Bouw en Infra verplicht is, heeft laten verrichten, maar dat doet er niet aan af dat het Uwv op basis van de onderzoeksresultaten niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In dat kader heeft de rechtbank relevant geacht dat zonder de intredekeuring wel een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De door het Uwv ingezonden beslissingen op grond van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) aangaande de onderneming van [naam 1] kunnen evenmin de conclusie dragen dat betrokkene niet als werknemer gewerkt zou hebben en dat het dienstverband gefingeerd zou zijn geweest. Dat mag alleen al blijken uit het feit dat, zoals betrokkene terecht heeft opgemerkt, toen betrokkene op 1 februari 2020 voor [naam 1] begon te werken de coronapandemie nog niet was uitgebroken.

Het standpunt van het Uwv

3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft erop gewezen dat betrokkene al lange tijd bekend is bij het Uwv in verband met een Wajonguitkering en een WIA-uitkering. Op 14 november 2019 is hij gezien op het spreekuur van een arts van het Uwv in verband met toegenomen klachten. De arts heeft genoteerd dat betrokkene volledige arbeidsongeschiktheid claimt op grond van lichamelijk klachten met hieruit voortvloeiende energetische belemmeringen, dat betrokkene onder meer problemen ervaart in het zich fysiek inspannen en een dagritme aanhouden, dat er belemmeringen zijn in het concentreren en daarnaast bekende lichamelijke klachten met betrekking tot huidcontact met (irriterende) vloeistoffen. Daarmee verhoudt zich volgens het Uwv niet dat betrokkene vervolgens per 1 februari 2020 een baan als betonmedewerker zou hebben aanvaard voor veertig uur per week. Betrokkene heeft in dit verband aangevoerd dat hij door de werkcoach onder druk is gezet om weer aan het werk te gaan, maar de werkcoach heeft hem laatstelijk in juli 2018 duidelijk gemaakt dat hij moest werken aan zijn reintegratie. Dat was ruim anderhalf jaar voor de gestelde indiensttreding bij [naam 1] .

Het Uwv heeft daarnaast andere punten genoemd die twijfel oproepen over de vermeende dienstbetrekking van betrokkene. Daarbij is erop gewezen dat de bedrijfsruimte te [plaats] waar betrokkene zou hebben gewerkt, op dat moment was verhuurd aan [naam 3] , die – met korte tussenpozen wanneer hij op Curaçao verbleef – daar werkte en woonde en in die ruimte zijn spullen had staan. [naam 3] heeft tot aan zijn conflict met [naam 1] in 2021 nooit gemerkt dat er was opgeruimd, schoongemaakt of gewerkt in het bedrijfspand. Ook de buren hebben nooit gemerkt dat betrokkene activiteiten ontplooide op dit adres, terwijl betrokkene heeft verklaard dat hij in het gebouw schoonmaakte en opruimde en zes meter lange bekistingen maakte die dan vervolgens naar een ander adres moesten worden vervoerd.

Het standpunt van betrokkene

4. Betrokkene heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.

Een besluit tot intrekking en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat betrokkene niet werkzaam is geweest bij [naam 1] op basis van een arbeidsovereenkomst en daardoor niet verplicht verzekerd was voor de ZW. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van betrokkene om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv op basis van de bevindingen vermeld in het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 1 februari 2023 en de overige stukken aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet werkzaam is geweest voor [naam 1] op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat hij niet verplicht verzekerd was voor de ZW. Daartoe acht de Raad de volgende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, van belang.

Het Uwv heeft in hoger beroep een medisch onderzoeksverslag van een arts van 30 december 2019 overgelegd. Blijkens dit onderzoeksverslag heeft betrokkene op 14 november 2019 het spreekuur van de arts bezocht wegens toegenomen lichamelijke klachten. Het Uwv heeft terecht gewezen op wat toen door de arts is genoteerd, zoals opgenomen onder 3.1. Verder blijkt uit het onderzoeksverslag dat betrokkene tijdens dat spreekuur heeft verklaard dat hij de hele dag op bed ligt en dat zijn huisgenoot kookt, schoonmaakt, betrokkene naar afspraken brengt en de was doet. Tillen en andere intensieve bezigheden putten hem uit. Hoe meer dingen hij doet, hoe vermoeider hij is. Hij kan geen dag-nachtritme aanhouden en is circa zes uur per dag wakker. Deze verklaringen van betrokkene zijn niet te rijmen met het standpunt dat hij per 1 februari 2020 een dienstverband zou zijn aangegaan als betonmedewerker voor veertig uur per week, waarbij hij dagelijks van 07:00 uur tot 16:00 uur zwaar lichamelijk werk zou hebben verricht en, zoals hij heeft verklaard, met de fiets naar zijn werk zou zijn gegaan. Betrokkene heeft verklaard dat hij min of meer onder druk van zijn (nieuwe) werkcoach aan het werk is gegaan, dat de baan bij [naam 1] op zijn pad kwam en hij het wilde proberen. Die verklaring acht de Raad, gelet op de ernst van de fysieke klachten van betrokkene zoals weergegeven in het medisch onderzoeksverslag van 30 december 2021, niet geloofwaardig. Bovendien is – zoals het Uwv terecht heeft opgemerkt – ten tijde van het aangaan van het vermeende dienstverband niet gebleken van druk van zijn werkcoach om te gaan werken.

Het Uwv heeft ook terecht gewezen op een rapport van een arbeidsdeskundige van 18 oktober 2021. De arbeidsdeskundige heeft betrokkene op 15 oktober 2021 gesproken. In dit rapport is als maatgevende arbeid van betrokkene de functie van betonmedewerker aangemerkt. In het rapport is vermeld dat betrokkene meestal enkele weken op dezelfde bouwplaats werkte. Dit konden bouwplaatsen zijn in zowel het binnenland als het buitenland. Hij heeft in dit werk een paar weken in Frankrijk gewerkt. Hij is op de bouwplaats bezig met het opruimen van bijvoorbeeld stenen, hout et cetera. Dit moet hij in een grote bak gooien. Hij moet verder beton in een bekisting storten, ijzervlechten, veel meetwerk doen en regelmatig controleren. Ook doet hij veel schoonmaakwerk. Hij werkte op een bouwplaats met twintig tot dertig man. Deze werkbeschrijving staat haaks op de verklaringen van betrokkene en [naam 1] dat betrokkene (uitsluitend) heeft gewerkt in het bedrijfspand van [naam 1] aan de [adres] in [plaats] . De verklaring van betrokkene ter zitting dat hij aan de arbeidsdeskundige heeft verteld dat dit zijn toekomstige werkzaamheden bij [naam 1] zouden zijn, blijkt geenszins uit dat rapport, waarin wordt gesproken over de werkzaamheden in de verleden tijd voorafgaand aan de ziekmelding, en acht de Raad ook niet geloofwaardig. Niet valt in te zien waarom betrokkene bij de arbeidsdeskundige zou hebben verklaard over mogelijk toekomstige werkzaamheden.

Het Uwv heeft er verder terecht op gewezen dat niet aannemelijk is dat betrokkene ten tijde van belang heeft gewerkt in het bedrijfspand van [naam 1] aan de [adres] in [plaats] , omdat uit informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat vanaf 4 december 2019 op dat adres een ander bedrijf was gevestigd, namelijk autogaragebedrijf [naam bedrijf] , waarvan [naam 3] de eigenaar was. De rechtbank heeft erop gewezen dat uit het proces-verbaal van het verhoor van [naam 3] van 10 september 2024 blijkt dat hij heeft verklaard dat [naam bedrijf] van 2019 tot en met 2021 in het bedrijfspand was gevestigd, maar niet dat [naam 3] specifiek heeft verklaard dat hij ook daadwerkelijk werkzaamheden uitvoerde voor zijn garagebedrijf in februari en maart 2020. Uit een door het Uwv in hoger beroep overgelegd proces-verbaal van verhoor van 30 juni 2025, afkomstig uit de strafzaak tegen betrokkene en [naam 1] , blijkt echter dat [naam 3] heeft verklaard dat hij in februari 2020 volop bezig was met het opzetten van zijn bedrijf op deze locatie. Daarbij hebben twee buren onafhankelijk van elkaar tegenover buitengewoon opsporingsambtenaren van het Uwv verklaard dat zij betrokkene nimmer hebben gezien bij het bedrijfspand aan de [adres] in [plaats] , terwijl betrokkene heeft verklaard dat hij daar dagelijks van ongeveer 7:00 uur tot ongeveer 17:00 aanwezig was.

De Raad acht verder van belang dat betrokkene een salaris ontving van € 2.500,89 netto per maand, wat volgens de salarisstroken overeenkomt met een salaris van € 4.296,77 bruto per maand. Uit de cao Bouw en Infra 2020 blijkt dat een beginnende betonmedewerker ongeveer de helft van dit bedrag verdient. [naam 1] heeft verklaard dat dit salaris zo hoog was omdat betrokkene in de toekomst bepaalde taken van hem zou overnemen, maar dat verklaart niet waarom betrokkene al vanaf het aangaan van de arbeidsovereenkomst, toen hij volgens [naam 1] nog ‘in de leer’ was, zo’n hoog salaris ontving.

De Raad acht verder van belang dat uit de stukken blijkt dat [naam administratiekantoor] pas op 26 maart 2020, dus nadat betrokkene ziek was geworden, is gevraagd om een arbeidsovereenkomst en salarisstroken op te maken, dat [naam 1] bij herhaling heeft geweigerd om het Uwv facturen en urenlijsten toe te sturen met betrekking tot zijn onderneming, waardoor niet goed verifieerbaar is of en zo ja wanneer betrokkene zou hebben gewerkt, en dat uit de informatie van de Belastingdienst blijkt dat de omzet van de onderneming van [naam 1] in 2020 € 54.246,- bedroeg terwijl het salaris van betrokkene in 2020 in totaal € 47.696,- was. Verder acht de Raad het opmerkelijk dat betrokkene, in strijd met de cao Bouw en Infra, geen verplichte intredekeuring heeft gedaan en dat, blijkens informatie van Interpolis, [naam 1] in juli 2020, dus: tijdens de ziekte van betrokkene, heeft geprobeerd het verzekerde loon voor betrokkene te verhogen van € 50.000,- naar € 70.000,-. [naam 2] , die [naam 1] hielp bij de administratie, heeft verklaard dat dit verband hield met het feit dat de loonkosten aanzienlijk hoger bleken dan aanvankelijk werd gedacht vanwege de hoge pensioenpremie die aan het Bpf Bouw pensioenfonds moest worden afgedragen, maar die hoge bijdrage moet bij [naam 1] al veel eerder bekend zijn geweest. Op de door [naam administratiekantoor] opgemaakte salarisstroken stond immers al het maandelijkse bedrag aan ingehouden pensioenpremie vermeld.

Nu het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat tussen betrokkene en [naam 1] geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking ligt het op de weg van betrokkene om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. Daarin is betrokkene niet geslaagd.

Gelet op de overwegingen 5.3.1 tot en met 5.3.5, kent de Raad aan de verklaring van [naam 1] in beroep tegenover de rechter-commissaris dat betrokkene voor hem heeft gewerkt en dat hij in de eerste week van het dienstverband elke dag samen met betrokkene in het bedrijfspand aanwezig was om hem het werk te leren, niet de betekenis toe die de rechtbank daaraan heeft toegekend. De verklaring van [naam 1] wordt niet ondersteund door objectieve gegevens. Daarbij is nog van belang dat uit de door het Uwv overgelegde NOWbesluiten blijkt dat [naam 1] er een aanzienlijk financieel belang bij heeft dat wordt vastgesteld dat betrokkene vanaf 1 februari 2020 werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Volgens deze besluiten heeft het Uwv de aan [naam 1] in het kader van de NOW betaalde voorschotten van € 11.364,-, € 13.370,- en € 20.055,- van [naam 1] teruggevorderd, omdat geen sprake is van een dienstbetrekking tussen [naam 1] en betrokkene en daardoor ten onrechte is uitgegaan van de door [naam 1] opgegeven loonsom.

Uit het transactieoverzicht van de ASN-bank blijkt dat betrokkene in de periode van 3 maart 2020 tot en met 27 november 2020 tien keer een betaling van [naam 1] van € 2.500,- heeft ontvangen, waarvan negen betalingen met de omschrijving salaris. Dit enkele feit vormt op zichzelf onvoldoende tegenbewijs. Zo is niet duidelijk waarom namens [naam 1] op het aanvraagformulier van de ZW-uitkering voor betrokkene van 26 februari 2021 het Uwv uitdrukkelijk is verzocht de ZW-uitkering aan betrokkene zelf te betalen, aan welk verzoek het Uwv heeft voldaan, terwijl [naam 1] over dezelfde periode al het volledige salaris aan betrokkene had betaald.

Tot slot heeft betrokkene nog ter zitting verklaard dat hij de gewerkte uren bijhield op zijn telefoon, maar hiervan zijn geen gegevens overgelegd.

Uit wat in 5 tot en met 5.4.3 is overwogen volgt dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet werkzaam is geweest bij [naam 1] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking en daardoor niet verplicht verzekerd was voor de ZW. Het Uwv heeft op goede gronden de ZW-uitkering per 13 maart 2020 ingetrokken en de over de periode van 13 maart 2020 tot en met 10 maart 2022 betaalde ZW-uitkering van betrokkene teruggevorderd. In wat betrokkene heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van de intrekking en/of terugvordering heeft moeten afzien.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering van betrokkene in stand blijven.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2023 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D. Semiz

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 3, eerste lid, ZW:

Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

Artikel 20, ZW:

De werknemer in de zin van deze wet is verzekerd.

Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, ZW:

Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en ter zake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt het dat in:

Artikel 30a, tweede lid, ZW:

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

Artikel 33, eerste lid, ZW:

Het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

Artikel 33, zesde lid, ZW:

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand