SAMENVATTING
25/1684 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2025, 24/3811 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , België (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 3 juni 2023 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat zijn arbeidsongeschiktheid wel volledig, maar niet duurzaam is. Volgens appellant zijn de beperkingen en dus ook zijn arbeidsongeschiktheid duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVA-uitkering, maar een WGA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.T.M. Zusterzeel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zusterzeel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Bij besluit van 24 april 2023, gecorrigeerd bij besluit van 14 juli 2023, heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 3 juni 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 100%. Appellant is volgens het Uwv niet duurzaam arbeidsongeschikt.
Bij besluit van 28 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er behandelingsmogelijkheden waren voor appellant. De verwachting op 3 juni 2023 was dat er in het eerstkomende jaar een meer dan geringe verbetering zou optreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij verwezen naar diverse stukken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat op de datum in geding, 3 juni 2023, niet was gebleken van duurzame arbeidsongeschiktheid. Dat naderhand geen verbetering is opgetreden, is daarbij niet van belang. Het gaat immers om de inschatting die de verzekeringsarts op de datum in geding kon maken, op basis van de toen beschikbare informatie. Het is de rechtbank niet gebleken dat er op de datum in geding informatie bekend was die aantoont dat appellant op dat moment duurzaam arbeidsongeschikt was.
De beroepsgronden dat appellant ten onrechte niet lichamelijk is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van onjuiste feiten en dat het Uwv ten onrechte alleen gebruik heeft gemaakt van de informatie die goed uitkomt en andere delen heeft weggelaten, slagen niet. De verzekeringsarts bezwaar in beroep heeft toegelicht dat er in de primaire fase een spreekuur van 60 minuten is geweest, waarbij ook lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook was er medische informatie aanwezig, waaronder informatie van de bedrijfsarts en een door appellant zelf ingevulde vragenlijst. Een extra lichamelijk onderzoek in bezwaar had geen toegevoegde waarde, omdat de datum in geding ruim tien maanden eerder lag en appellant tijdens de hoorzitting heeft verteld dat er na de datum in geding een verergering van zijn klachten is opgetreden. Het Uwv heeft hiermee voldoende gemotiveerd waarom in bezwaar van een lichamelijk onderzoek kon worden afgezien. Voor het overige is de rechtbank niet gebleken dat sprake is geweest van onzorgvuldigheden in het onderzoek die tot een andere beslissing zouden leiden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
Zowel het Uwv als de rechtbank blijken nauwelijks oog te hebben voor de zeer schrijnende situatie van appellant. Appellant heeft in zowel de bezwaar- als de beroepsprocedure met medische stukken onderbouwd waarom het voor hem van meet af aan aantoonbaar onmogelijk was (en is) om nog werkzaamheden te verrichten en hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Sinds zijn uitval door een arbeidsongeval is zijn situatie niet veranderd. Zonder enige gemotiveerde afweging te maken tussen de (medische) beoordeling van het Uwv en de vele (medische) stukken die appellant gedurende de verschillende procedures heeft ingediend, heeft de rechtbank de kwestie in een enkele alinea afgedaan. Niet duidelijk is waarop de rechtbank zich heeft gebaseerd en wat daarbij de concrete afwegingen zijn geweest.
Ook wat betreft de zorgvuldigheid van het medische onderzoek heeft de rechtbank het Uwv ten onrechte gevolgd. Een nader fysiek lichamelijk onderzoek dient standaard onderdeel uit te maken van de bezwaarprocedure en de in dat verband te maken heroverweging. Het achterwege laten van dit verplichte element is 'gemakzucht'. Nu dat bij appellant is nagelaten, is sprake van een zeer onzorgvuldige gang van zaken. Er is geen sprake geweest van een heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid heeft appellant verwezen naar onder meer in hoger beroep overgelegde medische informatie van de neuroloog, kinesitherapeut en de klinisch psycholoog uit 2025 en 2026 en naar eerder ingebrachte medische informatie.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar het rapport van 19 april 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en haar nadere toelichting in het rapport van 9 mei 2025.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van een WGA-uitkering aan appellant in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Zorgvuldigheid medisch onderzoek
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar en toereikend gemotiveerd waarom de bevindingen bij een lichamelijk onderzoek tijdens of na de hoorzitting geen (goed) beeld (meer) gaven van de beperkingen van appellant per de datum in geding. Van belang is in dit verband met name dat appellant tijdens de hoorzitting op 9 april 2024 te kennen heeft gegeven dat zijn situatie na de datum in geding was verslechterd. Voorts heeft een lichamelijk onderzoek volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen toegevoegde waarde in het kader van de beoordeling van duurzaamheid van arbeidsbeperkingen, waarbij het gaat om de verwachting of verbetering zal optreden in het eerstkomende jaar en het jaar daarop. Ook dit wordt gevolgd. Appellant is ten minste eenmaal gezien door een geregistreerd verzekeringsarts en toereikend is gemotiveerd waarom van een spreekuurcontact in bezwaar kon worden afgezien. Dit is in lijn met de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021. Appellant heeft hier ter zitting van de Raad niets tegenover gesteld.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
Niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding, 3 juni 2023, moet worden geacht niet alleen volledig, maar ook duurzaam te zijn, zodat appellant op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA- in plaats van een WGA-uitkering.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 19 april 2024 aan de hand van het Beoordelingskader duurzaamheid en het daarin vermelde stappenplan inzichtelijk gemotiveerd dat voor appellant op de datum in geding nog kansen waren op verbetering van de functionele mogelijkheden. Ten tijde in geding was appellant onder behandeling van een neuroloog en kinesitherapeut. De neuroloog heeft bij zijn onderzoek op 20 juni 2023 – dus kort na de datum in geding 3 juni 2023 – geconstateerd dat het met de scheefstand van appellants nek wat beter leek te gaan en geadviseerd het roteren van de nek voorzichtig actief te hervatten. Ook het voortzetten van de kinesitherapie en van de psychologische begeleiding was volgens de neuroloog van belang. Voorts is de pijnmedicatie iets afgebouwd. De behandeling bij de kinesitherapeut leidde tot een langzame maar geleidelijke vooruitgang, waarbij verdere therapie door de therapeut als zeker waardevol werd gekwalificeerd. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat appellant bij de revalidatie was geweest en dat, als eerste stap, infiltraties (injecties) waren toegepast. De behandeling bij de revalidatie was op dat moment nog gaande. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat de belastbaarheid van appellant met deze adequate behandeling meer dan gering zal toenemen. Hoofdbewegingen zullen (beter) mogelijk zijn, de beperking ten aanzien van het hoofd in een stand houden zal verminderen en appellant kan weer boven schouderhoogte actief zijn. Ook zal appellant langer kunnen lopen en staan. Verder zal het handelingstempo in arbeid verbeteren. De verbetering in belastbaarheid zal ook in het daaropvolgende jaar doorzetten, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het Uwv heeft hiermee afdoende onderbouwd dat in de situatie van appellant sprake was van reële behandelmogelijkheden met een reële herstelverwachting, zodat – op termijn – mocht worden verwacht dat de arbeidsmogelijkheden van appellant zouden toenemen. Dat de kinesitherapeut vanaf het najaar van 2023 aan de nek vrijwel geen verbetering meer constateerde en voorts begin 2026 concludeerde dat in de afgelopen vier jaar weinig vooruitgang is geboekt in de behandeling, brengt niet met zich mee dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermelde verwachting die ten tijde in dit geding van belang bestond, voor onjuist moet worden gehouden. De door appellant ter zitting aangehaalde conclusie van de bedrijfsarts dat appellant marginaal belastbaar was betreft een ander beoordelingskader en zegt overigens niets over de duurzaamheid van de beperkingen van appellant.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van een WGA-uitkering in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.