21/3851 WIA, 22/3422 WIA, 23/1177 WIA
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2021, 19/1124 (aangevallen uitspraak 1), van 28 september 2022, 20/1490 (aangevallen uitspraak 2) en van 30 maart 2023, 21/1170 (aangevallen uitspraak 3)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkgeefster B.V.] te [vestigingsplaats] (werkgeefster)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 27 september 2018 heeft geweigerd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het gaat in deze zaak ook over de vraag of het Uwv terecht aan appellante geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellante met ingang van 3 oktober 2018 en 8 juli 2019 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 27 september 2018. Het gaat in deze zaak tot slot over de vraag of het Uwv terecht de per 24 januari 2020 opnieuw toegekende WIA-uitkering per 21 mei 2021 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij op de data in geding meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd dan wel niet heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante hebben mr. Y. van der Linden en mr. L. Boon, beiden advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 1 februari 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik. Namens werkgeefster is niemand verschenen. Na de zitting heeft de Raad het onderzoek geschorst.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dit verzoek heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.
De Raad heeft de behandeling van de zaken voortgezet op een zitting van 24 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Schaik. Namens werkgeefster is via beeldbellen S. Wuisman verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als financieel-administratief medewerker bij werkgeefster voor 32,49 uur per week. Op 22 september 2016 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 augustus 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 22 augustus 2018 geweigerd appellante met ingang van 27 september 2018 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Appellante heeft zich op 17 oktober 2018 bij het Uwv gemeld met per 3 oktober 2018 toegenomen psychische klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 22 november 2018 geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellante (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de weigering van de WIA-uitkering per 27 september 2018.
Bij besluit van 12 maart 2019 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 22 augustus 2018 en 22 november 2018 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Appellante heeft zich op 22 juli 2019 bij het Uwv gemeld met per 8 juli 2019 toegenomen psychische klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 16 september 2019 geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellante (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de weigering van de WIA-uitkering per 27 september 2018.
Bij besluit van 20 april 2020 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Appellante heeft zich op 29 januari 2020 bij het Uwv gemeld met per 24 januari 2020 toegenomen psychische klachten. De verzekeringsarts heeft na onderzoek aangenomen dat per 24 januari 2020 de beperkingen van appellante uit dezelfde ziekteoorzaak zijn toegenomen binnen vijf jaar na de weigering van de WIA-uitkering per 27 september 2018. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geen functies kunnen selecteren en de mate van arbeidsongeschiktheid daarom vastgesteld op 100%. Het Uwv heeft bij besluit van 18 maart 2020 aan appellante met ingang van 24 januari 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Werkgeefster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het Uwv een psychiatrische expertise laten uitvoeren door Psyon. Op 9 oktober 2020 heeft psychiater dr. R.J. Teunisse van Psyon een rapport uitgebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een FML van 5 maart 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 8 april 2021 (bestreden besluit 3) het bezwaar van werkgeefster gegrond verklaard en de WGA-uitkering van appellante met ingang van 21 mei 2021 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Uitspraken van de rechtbank
2. Bij een drietal afzonderlijke uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de drie bestreden besluiten ongegrond verklaard.
De hoger beroepen van appellante
Appellante is het met die uitspraken van de rechtbank niet eens.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank de bestreden besluiten over de weigering en de beëindiging van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Op grond van artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA ontstaat het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
Medisch
De Raad heeft het onderzoek ter zitting van 1 februari 2024 geschorst, omdat mr. Van der Linden de zaken kort voor deze zitting weer had overgenomen van mr. Boon onder indiening van aanvullende gronden van hoger beroep. Daarbij heeft de Raad het Uwv verzocht om de verzekeringsarts bezwaar en beroep te vragen psychiater Teunisse opnieuw te benaderen met een aantal vragen, en daarbij het volledig dossier aan Teunisse te verstrekken.
Het Uwv heeft vervolgens laten weten dat psychiater Teunisse inmiddels gepensioneerd is en dat een andere psychiater van Psyon, dr. O. de Klerk, bereid is de vragen van de Raad te beantwoorden. Bij brief van 7 mei 2024 heeft De Klerk deze vragen beantwoord. De Klerk heeft geantwoord dat appellante op grond van de anamnese, het dagverhaal en het psychiatrisch onderzoek van Teunisse op alle data in geding hooguit in lichte mate minder belastbaar was. De Klerk heeft geconcludeerd dat er geen aanvullende beperkingen aangenomen hoeven te worden in verband met de beschreven complexe PTSS met derealisatieverschijnselen. De-realisatie is volgens De Klerk een dissociatief symptoom dat optreedt bij stress en hevige emotie en dit is al voldoende ondervangen door de gestelde beperkingen (met name eigen gevoelens uiten, conflicten en ‘overige’). Dit geldt volgens De Klerk ook voor de datum in geding 21 mei 2021, mede omdat appellante in een telefonisch contact met De Klerk heeft verklaard dat haar situatie niet anders was dan ten tijde van het onderzoek door Teunisse. Teunisse heeft opgemerkt dat hij als psychiater niet kan oordelen over een urenbeperking in werk, omdat dit buiten zijn vakgebied ligt. Wel heeft hij geadviseerd rekening te houden met de individuele schematherapie die in de regel eens (of tweemaal) per week een uur wordt gegeven. Volgens Teunisse is therapie volgen voor de meeste mensen vermoeiend en is het redelijk om een halve dag niet-beschikbaarheid te rekenen voor één therapie-uur. Verder heeft Teunisse opgemerkt dat een coach wellicht een half dagdeel aanwezig zal zijn en heeft hij geadviseerd ook een halve dag te rekenen voor de coaching.
Het Uwv heeft daarop een nieuwe beoordeling laten verrichten door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met betrekking tot alle data in geding. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor alle data in geding aanvullende beperkingen aangenomen. Deze beperkingen zijn vastgelegd in vier verschillende FML’s van 27 oktober 2024. Voor alle data in geding is aanvullend een beperking voor hurken aangenomen en in verband met het volgen van individuele schematherapie een urenbeperking van 30 uur per week. Voor (alleen) datum in geding 8 juli 2019 is vanwege medicatiegebruik aanvullend een beperking op persoonlijk risico opgenomen. Voor (alleen) datum in geding 21 mei 2021 is vanwege migraine een verzuimrisico van 15% opgenomen.
Met het in hoger beroep uitgevoerde nader onderzoek is het medisch onderzoek van het Uwv wat betreft alle data in geding voldoende zorgvuldig. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Wat appellante in dit verband heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
De beroepsgrond dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft verricht, omdat is nagelaten de medische situatie per 24 januari 2020 te beoordelen, slaagt niet. Per 24 januari 2020 is de WIA-uitkering immers opnieuw toegekend. Dat dit volgens het Uwv achteraf bezien ten onrechte is gebeurd, maakt niet dat 24 januari 2020 tot de data in geding kan worden gerekend. Met die toekenning is appellante het immers eens. Van een intrekking of een beëindiging van de uitkering met terugwerkende kracht per 24 januari 2020 is ook geen sprake. Dit betekent dat in dit geval de datum in geding de datum is waarop aan het einde van de uitlooptermijn de uitkering wordt beëindigd.
De beroepsgrond dat met de nadere toelichting van psychiater de Klerk onvoldoende uitvoering is gegeven aan de vragen die de Raad in het proces-verbaal van schorsing heeft gesteld, slaagt niet. Niet in geschil is dat psychiater Teunisse deze vragen niet meer kon beantwoorden. Gelet daarop heeft het Uwv ervoor kunnen kiezen de vragen door een andere psychiater van Psyon te laten beantwoorden. Zijn antwoorden zijn voldoende concludent. Dat De Klerk in zijn brief niet een lijst heeft opgenomen van de door hem geraadpleegde medische stukken, maakt zijn onderzoek niet onzorgvuldig. Uit de door het Uwv ingebrachte brief van 12 maart 2024 blijkt dat het volledige dossier aan De Klerk is toegestuurd. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat hij dit niet heeft bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens voor alle data in geding de beperkingen opnieuw in kaart gebracht.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht waarom er geen reden is voor een urenbeperking op energetische gronden of een beperkingen van de uren per dag. De beperking van uren per week is aangenomen in verband met de gevolgde individuele schematherapie, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit wordt gegaan van één uur therapie per week en een dagdeel recuperatie. Omdat appellante de individuele therapie zelf kan plannen, is er geen noodzaak tot het stellen van een beperking in de duurbelastbaarheid op een specifieke dag en/of dagdeel. Inzet van de gezinscoach valt niet onder behandeling. Er is geen aanknopingspunt voor twijfel aan deze toelichting. De beroepsgrond dat op energetische gronden ook een beperking van de uren per dag had moeten worden aangenomen, slaagt niet. Deze stelling vindt geen steun in de verzekeringsgeneeskundige bevindingen en is niet met medische stukken onderbouwd. Dat de arbo-arts indertijd wel uit is gegaan van een beperking in uren, maakt het oordeel niet anders. De arbo-arts heeft de beoordeling binnen een ander kader verricht en diens beoordeling zag ook niet op de data in geding.
De beroepsgrond dat de toelichting van De Klerk over de beperkingen op datum in geding 21 mei 2021 innerlijk tegenstrijdig is, slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat appellante aan De Klerk heeft verteld dat zij toen meer klachten had als gevolg van afbouw van medicatie. Voor duidelijke veranderingen in beperkingen in die periode heeft De Klerk echter geen onderbouwing gevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 14 oktober 2024 toegelicht dat de per 8 juli 2019 aangenomen beperking op verhoogd persoonlijk risico per 21 mei 2021 niet meer wordt aangenomen, omdat appellante (alleen nog) Citalopram en Quetiapine gebruikte, en niet meer Temazepam, en inmiddels aan deze middelen gewend was. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat deze toelichting berust op onjuiste gronden. Uit het door appellante in hoger beroep nog overgelegde medicatieoverzicht blijkt ook niet van het gebruik van Temazepam rond 21 mei 2021.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook voldoende gemotiveerd waarom per 21 mei 2021 wordt uitgegaan van een verzuimpercentage van 15% vanwege migraine. De door appellante in dit verband nog overgelegde passages uit het huisartsenjournaal van 26 februari 2021 en 1 maart 2023 leiden niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn oordeel immers de dichter bij de datum in geding gelegen brief van 11 maart 2021 van de neuroloog betrokken, waarbij de neuroloog op basis van de anamnese en dus de eigen verklaringen van appellante heeft genoteerd dat er sprake was van één tot twee keer per maand een aanval waarbij appellante drie dagen klachten ervaart. De vertegenwoordiger van het Uwv heeft hierover ter zitting nog opgemerkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de berekening van het verzuimpercentage in het voordeel van appellante niet is uitgegaan van een aanval in de weekenden.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige.
Arbeidskundig
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor alle data in geding nieuwe functies geselecteerd en per datum in geding inzichtelijk gemotiveerd waarom deze functies passen bij de belastbaarheid van appellante. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn. De beroepsgrond dat een aantal functies niet geschikt is voor appellante, omdat daarin meer dan acht uur per dag wordt gewerkt, slaagt niet. Aan het aantal uren per dag is immers geen beperking gesteld.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Als hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Als de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.
De drie zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op een WIA-uitkering.
In zaak 21/3851 zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 21 september 2018 van het eerste bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zeven jaar en bijna tien maanden verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere behandelingsduur zouden kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Uitgaande van een termijn van in totaal vier jaar, levert dat een overschrijding van de redelijke termijn van drie jaar en (afgerond) tien maanden op. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 4.000,-. Het Uwv heeft binnen een half jaar op het bezwaar beslist. Omdat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is overschreden, wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van het hiervoor genoemde bedrag van € 4.000,- aan immateriële schade aan appellante.
In zaak 22/3422 WIA is in hoger beroep sprake geweest van een gezamenlijke behandeling, maar in bezwaar en beroep van een afzonderlijke behandeling. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 25 september 2019 van het bezwaarschrift tot de datum van de aangevallen uitspraak van 28 september 2022 zijn drie jaar en drie dagen verstreken. De redelijke termijn is dus in de bezwaar- en beroepsfase met afgerond dertien maanden overschreden. Dit leidt tot een aanvullende schadevergoeding van € 1.500,-. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv tot de beslissing op bezwaar van 20 april 2020, bijna zeven maanden geduurd. De redelijke termijn in de bestuurlijke fase is met afgerond een maand overschreden. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met twaalf maanden is overschreden. De toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase in de zaak 21/3851 WIA brengt met zich dat in zaak 22/3422 WIA geen aanvullende vergoeding voor immateriële schade voor die fase wordt toegekend. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 115,38,- (1/13 deel van € 1.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.384,62,- (12/13 deel van € 1.500,-).
In zaak 23/1177 WIA is in hoger beroep sprake geweest van een gezamenlijke behandeling, maar in bezwaar en beroep van een afzonderlijke behandeling. Vanaf de doorzending van de bezwaargronden op 23 april 2020 tot de datum van de aangevallen uitspraak van 30 maart 2023 zijn twee jaar en ruim elf maanden verstreken. De redelijke termijn is dus in de bezwaar- en beroepsfase met afgerond twaalf maanden overschreden. Dit leidt tot een aanvullende schadevergoeding van € 1.000,-. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv tot de beslissing op bezwaar van 8 april 2021 bijna twaalf maanden geduurd. De redelijke termijn in de bestuurlijke fase is met afgerond zes maanden overschreden. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met zes maanden is overschreden. De toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase in de zaak 21/3851 WIA brengt met zich dat in zaak 23/1177 WIA geen aanvullende vergoeding voor immateriële schade voor die fase wordt toegekend. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 500,- (de helft van € 1.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 500,- (de helft van € 1.000,-).
Het totaalbedrag aan door de Staat te vergoeden immateriële schadevergoeding bedraagt daarmee € 5.884,62.
Het totaalbedrag aan door het Uwv te vergoeden immateriële schadevergoeding bedraagt € 615,38.
Conclusie en gevolgen
De drie bestreden besluiten zijn, gelet op de aanpassingen van de FML door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de nadere motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, alle drie pas in hoger beroep voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in de bestreden besluiten zich niet zou hebben voorgedaan, zouden besluiten met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken, met verbetering van gronden, moeten worden bevestigd. Dit betekent dat de weigeringen appellante per 27 september 2018, 3 oktober 2018 en 8 juli 2019 een WIAuitkering toe te kennen en de beëindiging van de WIA-uitkering per 21 mei 2021 in stand blijven.
De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 5.604,- in beroep (3 x 1 punt voor het beroepschrift, 2 x 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijzen van 1 april 2021 en 30 januari 2022 en 2 x 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de gemachtigde van appellante op twee van de drie zittingen is verschenen en in twee van de drie zaken een zienswijze heeft ingediend op in de beroepsfase door het Uwv aanvullende medische en arbeidskundige standpunten. In hoger beroep worden deze kosten begroot op € 4.670,- (3 x 1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze van 29 mei 2025, met een waarde per punt van € 934,-) aan kosten van verleende rechtsbijstand. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat wat betreft het verschijnen op de zittingen van 1 februari 2024 en 24 juni 2026 en de zienswijze van 29 mei 2025 sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), omdat sprake is geweest van nagenoeg identieke werkzaamheden. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak beschouwd waaraan met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C2 de factor 1 (minder dan 4 zaken) wordt toegekend.
Er bestaat aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt, met een waarde per punt van € 934,-) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50.
Het totaalbedrag aan proceskosten dat het Uwv aan appellante moet vergoeden bedraagt daarmee € 10.507,50.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 550,- te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) J. Bonnema