SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1682 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 juni 2024, 23/991 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van gordijnen. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten zich voordoen en noodzakelijk zijn, maar dat appellante voor deze kosten had kunnen reserveren. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet de mogelijkheid had om te reserveren gelet op de niet voorzienbare verhuizing en de extra kosten die zij heeft moeten maken. Ook is zij van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische situatie. Net als de rechtbank volgt de Raad appellante hierin niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Y. Seyran, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen met een brief van 25 juli 2025 een aantal vragen gesteld. Partijen hebben op deze brief gereageerd en nadere stukken overgelegd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 december 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Seyran. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.M. Hasselbank en E. Okubazghi.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontvangt van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Ook heeft appellante een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg vanwege psychische problematiek.
Van de gemeente Rheden ontving appellante in 2019 bijzondere bijstand voor de kosten van een volledige woninginrichting ter hoogte van € 3.549,35 en voor de eerste maand huur ter hoogte van € 318,-. Daarnaast heeft de gemeente Arnhem destijds € 400,- aan verhuiskosten verstrekt. Appellante heeft vervolgens haar huisraad verkocht, omdat zij op 11 maart 2021 bij haar partner in [plaatsnaam] is gaan wonen. Als gevolg van psychische problematiek raakt appellante snel overprikkeld. Daarom heeft zij in december 2021 een bedrag van € 3.000,- geïnvesteerd in de woning van haar partner voor de verbouwing van een zolderkamer tot een (mantelzorg)kamer voor appellante. Na een crisissituatie als gevolg van haar psychische problematiek moest appellante in juni 2022 deze woning verlaten, waarna zij – na een kortdurend verblijf op een vakantiepark – in de periode van 4 juli 2022 tot 7 augustus 2022 in een tijdelijke opvang verbleef op een zogenoemde bio-camping. De kosten voor dit verblijf zijn vergoed door de gemeente Lingewaard. Met ingang van 5 augustus 2022 heeft appellante een zelfstandige (huur)woning toegewezen gekregen in [woonplaats] .
Op 21 juli 2022 heeft appellante bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de kosten van woninginrichting. Met een besluit van 26 september 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 8 februari 2023 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten van de woninginrichting niet worden veroorzaakt door bijzondere omstandigheden. Appellante had vanuit haar inkomen zelf voor deze kosten moeten reserveren.
Na de aanvraag heeft appellante zich tot een particuliere stichting gewend voor een financiële bijdrage in de kosten van de verhuizing. Deze stichting heeft appellante financieel ondersteund bij de aankoop van onder meer een bed, keukenapparatuur en laminaat voor de gehele woning.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en richtlijnen die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Uitgangspunt is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Alleen in bijzondere omstandigheden is aanvullend bijzondere bijstand nodig. Daarom kan op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW alleen recht op bijzondere bijstand bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld.
Ter zitting van de Raad is gebleken dat het appellante alleen nog gaat om de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van gordijnen. Niet in geschil is dat deze kosten zich voordoen en noodzakelijk zijn. Beoordeeld moet worden of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Op grond van het beleid van de gemeente Arnhem, zoals neergelegd in de Richtlijnen Juridische Zaken, bedraagt de vergoeding voor gordijnen maximaal € 250,- om niet.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak.
Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor zij niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van gordijnen. Volgens appellante is onvoldoende rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat de kosten voor gordijnen voorzienbaar waren. De verhuizing was niet voorzienbaar, maar een gevolg van een crisissituatie in juni 2022 ten gevolge van ernstige psychische aandoeningen, waardoor zij de woning die zij met haar partner deelde plotseling moest verlaten. Verder heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank een verkeerde inschatting heeft gemaakt van haar financiële situatie. Door haar psychische aandoeningen was zij niet in staat om zelfstandig financiële beslissingen te nemen. Zij had onverwacht financiële lasten en kon voor een doorlopend krediet en een negatieve BKR-registratie geen lening aangaan. Appellante had onder andere extra kosten door de verbouwing ter hoogte van € 3.000,-, extra medische kosten vanwege haar gezondheidssituatie en extra kosten van levensonderhoud voor de tijdelijke opvang. Daarnaast heeft appellante op 14 februari 2023 aanslagen van de belastingdienst ontvangen.Verder heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de situatie van appellante ernstige gevolgen heeft voor haar gezondheid. Appellante heeft ernstige psychische aandoeningen waarvoor zij ambulante begeleiding heeft en zij was destijds zwanger. Verlening van bijstand voor gordijnen was noodzakelijk om verdere verslechtering van haar gezondheid te voorkomen. Deze beroepsgronden slagen niet. Daarbij is het volgende van betekenis.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor zij in de periode van januari 2022 tot en met juni 2022 niet voor de kosten van gordijnen kon reserveren. Niet in geschil is dat in juni 2022 sprake was van een crisissituatie ten gevolge van de psychische aandoeningen van appellante, waardoor zij plotseling op zoek moest naar andere woonruimte. Dat de verhuizing niet voorzienbaar was betekent echter niet dat appellante niet had kunnen reserveren voor de kosten van gordijnen. Daartoe is het volgende redengevend. De verbouwingskosten van € 3.000,- voor de mantelzorgkamer in de woning van de partner zijn gemaakt in december 2021. Hieruit vloeit voort dat appellante in de periode van januari 2022 tot en met juni 2022 de mogelijkheid heeft gehad om te reserveren voor de kosten van de gordijnen. In die periode werd immers duidelijk dat de mantelzorgkamer in de woning van de partner van appellante geen oplossing bood voor haar psychische problemen. Daarnaast werden de kosten voor de tijdelijke opvang door de gemeente Lingewaard betaald en is appellante, ondanks haar psychische problematiek, in staat gebleken in diverse kosten voor de woninginrichting wel zelf te voorzien. De schulden aan de belastingdienst doen hier niet aan af, aangezien de aanslagen van 14 februari 2023 niet zien op de periode die hier aan de orde is. Uit de inkomensgegevens van appellante en de door appellante aannemelijk gemaakte uitgaven blijkt niet dat zij niet ook kon reserveren voor de kosten van gordijnen in de periode voorafgaand aan verhuizing in juli 2022. Dat verlening van bijzondere bijstand voor gordijnen noodzakelijk was om verdere verslechtering van de gezondheid van appellante te voorkomen volgt niet uit het door appellante overgelegde begeleidingsplan.
Tot slot blijkt uit de door appellante overgelegde gegevens niet dat zij op grond van haar Wajong-uitkering niet de mogelijkheid had om te reserveren. Anders dan appellante stelt bedroeg haar Wajong-inkomen van € 1.065,45 in mei 2022 meer dan de op dat moment geldende bijstandsnorm van € 1.037,12.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van gordijnen in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Wolfrat en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) S. Ploum
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 35
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
(…)
Richtlijnen Juridische Zaken, gemeente Arnhem (M1.2.1)
(…)
Stoffering/verf/behang per vertrek
Maximaal te verstrekken bedragen per vertrek onafhankelijk van het aantal m2.
Gordijnen
Woonkamer 100
Slaapkamer 50
Keuken 50
Hal/overloop 50
Totaal 250