SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1432 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2025, 24/6963 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de uitkering die appellante ontving op grond van de ZW terecht per 13 maart 2024 heeft beëindigd. Appellante vindt dat zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat was om haar eigen werk te verrichten, zodat zij onveranderd recht heeft op een ZWuitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZWuitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Putten, beide door middel van beeldbellen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker van de bloedbank voor 15 uur per week. Haar dienstverband is op 31 mei 2023 geëindigd. Op 3 juli 2023 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 6 maart 2024 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 13 maart 2024 (datum in geding) geschikt geacht voor haar laatste werk. Met een besluit van 13 maart 2024 heeft het Uwv de ZWuitkering per die datum beëindigd.
Bij besluit van 26 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn conclusie dat appellante geschikt is voor haar werk als medewerker van de bloedbank voor 15 uur per week. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante haar andersluidende standpunt niet met medische stukken heeft onderbouwd en appellante niet duidelijk heeft gemaakt welke nieuwe diagnose volgens haar niet is meegewogen. De rechtbank heeft overwogen geen aanleiding te zien om een deskundige te benoemen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft gesteld dat het Uwv te weinig gewicht heeft toegekend aan haar medische klachten en dat de nieuwe diagnose onvoldoende is meegewogen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een behandelovereenkomst van 17 dan wel 24 juli 2025 overgelegd waarin onder DSM5 kwalificatie ‘andere gespecificeerde trauma- en stressorgerelateerde stoornis’ is vermeld. Appellante heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de ZWuitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na onderzoek door de verzekeringsarts, het opvragen van informatie bij de huisarts van appellante en eigen onderzoek geconcludeerd dat sprake is van een overbelaste situatie, meerdere banen, psychosociale problemen en de zorg voor de kinderen. Er is ten tijde van het onderzoek van 28 juni 2024 ondanks de aanwezige gespannenheid en agitatie geen sprake van verlies van aandacht en concentratie. Actuele informatie van de huisarts is per datum in geding niet aanwezig. Gelet op de beperkte urenomvang van 15 uur per week is appellante arbeidsgeschikt te achten voor de functie medewerker van de bloedbank, gezien de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts. Er is geen aanknopingspunt voor twijfel aan deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De huisarts heeft op 26 juli 2024 laten weten dat er geen contact is geweest met appellante rond de datum in geding en dat hij daarom de vraag welke diagnose bij appellante is gesteld, niet kan beantwoorden. De huisarts heeft verder opgemerkt dat appellante inmiddels wel onder behandeling/begeleiding is van de POH-GGZ. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante vanaf 16 augustus 2024 twee weken de tijd gegeven om gegevens over deze behandeling aan te leveren, maar appellante heeft dit niet gedaan.
De in hoger beroep overgelegde behandelovereenkomst van juli 2025 leidt niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft hierover opgemerkt dat de intake op 24 juli 2025 ruim na de datum in geding heeft plaatsgevonden en niet duidelijk is wanneer de in het document genoemde verslechtering heeft plaatsgevonden. Omdat de verzekeringsarts appellante wel heeft gezien rond de datum in geding, is er voor het Uwv geen aanleiding om dit stuk nog voor te leggen aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het Uwv wordt gevolgd in deze reactie. Anders dan appellante heeft aangevoerd, zijn in de behandelovereenkomst geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat appellante op de datum in geding niet geschikt was voor het laatst verrichtte werk voor 15 uur per week.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat er ook in hoger beroep geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZWuitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.