ECLI:NL:CRVB:2026:1061

ECLI:NL:CRVB:2026:1061

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer 25/1615 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend binnen de belastbaarheid van appellant.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1615 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 juli 2025, 24/3552 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 23 augustus 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. Kayabasi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Voor appellant is mr. L.J.T. de Groot, kantoorgenoot van mr. Kayabasi, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als front office medewerker voor 34,67 uur per week. Heeft hij zich per 27 december 2018 ziekgemeld. Het Uwv heeft geweigerd appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd per 24 december 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Aan appellant is vervolgens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellant heeft zich per 4 januari 2021 opnieuw ziekgemeld. Het Uwv heeft geweigerd om aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. Appellant heeft zich per 25 augustus 2021 opnieuw ziekgemeld en heeft toen wel een ZW-uitkering ontvangen. Het Uwv heeft geweigerd appellant per 25 augustus 2021 een WIA-uitkering toe te kennen omdat sprake was van andere klachten dan bij de eerdere beoordeling en appellant de wachttijd niet had volgemaakt.

Op 1 juni 2023 heeft appellant opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. Er heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts van het Uwv en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 juni 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 28,14 %. Het Uwv heeft bij besluit van 5 september 2023 geweigerd appellant met ingang van 23 augustus 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 11 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 5 juni 2024 een nieuwe FML opgesteld waarin meer beperkingen zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de geschiktheid van de geduide functies opnieuw bekeken en vastgesteld dat de functies onveranderd geschikt zijn.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Uit de stukken blijkt niet van een toezegging door de verzekeringsarts dat appellant in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Alleen appellants verklaring daarover is niet genoeg om ervan uit te kunnen gaan dat die toezegging is gedaan. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt ook niet. Dat appellant wel een ZW-uitkering heeft ontvangen en nu geen WIA-uitkering ontvangt, levert geen strijd op met het rechtzekerheidsbeginsel. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant zorgvuldig en juist is geweest. Appellant is gezien en onderzocht op het spreekuur en de aanwezige medische gegevens zijn kenbaar betrokken in de besluitvorming. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij meer of anders beperkt is dan in de FML is vastgelegd. Uit de medische gegevens die betrekking hebben op de datum in geding van 23 augustus 2023, blijkt dit ook niet. Uit de stukken van na de datum in geding blijkt dat er bij appellant wel sprake is van een verslechterde situatie maar uit die stukken blijkt ook dat die verslechtering is opgetreden na de datum in geding. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de geduide functies passen binnen de belastbaarheid van appellant, zoals die is weergegeven in de FML. Daaruit volgt een mate van arbeidsongeschikt van 22,37%.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is het rechtszekerheidsbeginsel geschonden omdat hij eerst ziekengeld op grond van de ZW ontving en hij, met dezelfde klachten, geen WIA-uitkering krijgt. Appellant vindt ook dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat de verzekeringsarts appellant heeft toegezegd dat appellant een WIA-uitkering krijgt. Appellant verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 mei 2019. Appellant vindt ook dat zijn belastbaarheid te positief is ingeschat. Hij heeft klachten aan zijn schouders, handen en vingers, de ziekte van Crohn, darmklachten, vermoeidheid en slaapproblemen. Daarnaast heeft hij psychische klachten en is de PTSS ten onrechte niet meegenomen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft dan ook zowel het oordeel van de rechtbank als de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. De Raad voegt hier met betrekking tot de grond van appellant dat het vertrouwensbeginsel is geschonden het volgende aan toe. De verwijzing in hoger beroep naar de uitspraak van de Afdeling leidt niet tot een ander oordeel. In de aangehaalde uitspraak was sprake van een schriftelijk stuk waar mogelijk een opgewekt vertrouwen aan ontleend kan worden. Appellant heeft, zo is ook ter zitting bevestigd, geen enkel stuk.

Met betrekking tot de medische stukken die appellant in hoger beroep heeft ingebracht, te weten een brief van 5 december 2022 van orthopeed L.M.A. Theelen en een verwijsbrief van 15 december 2022, overweegt de Raad dat die informatie niet leidt tot een ander oordeel. De inhoud van de stukken was al bekend bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en is blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 juni 2024 meegenomen in de beoordeling. Appellant heeft ook een verwijsbrief naar de GGZ van 4 juli 2024 ingebracht. De gegevens die daarin zijn vermeld, zien niet op de datum hier in geding en werpen om die reden al geen ander licht op de zaak.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand