ECLI:NL:CRVB:2026:1062

ECLI:NL:CRVB:2026:1062

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer 25/2125 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Terecht geoordeeld dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/2125 ZW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2025, 24/6620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 26 april 2024 een ZW-uitkering toe te kennen. Appellant vindt dat hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat was om zijn eigen werk te verrichten, zodat hij wel recht had op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Steijgerwalt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Op 21 mei 2026 heeft de gemachtigde van appellant de Raad schriftelijk bericht dat de Raad op basis van de stukken en zonder zitting uitspraak kan doen. Ook het Uwv heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als technicus voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 29 februari 2024 geëindigd. Op 4 maart 2024 heeft hij zich ziekgemeld. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. In verband met de ziekmelding heeft hij op 15 april 2024 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Het Uwv heeft bij besluit van 15 april 2024 geweigerd appellant per 4 maart 2024 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Bij besluit van 23 mei 2024 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van 21 mei 2024 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op een spreekuur van 21 mei 2024 onderzocht en de medische beoordeling van de verzekeringsarts bevestigd. Appellant heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld.

Appellant heeft zich op 26 april 2024 opnieuw ziekgemeld met klachten als gevolg van Prikkelbare Darm Syndroom (PDS), het Syndroom van Tietze en knie- en heupklachten. Een verzekeringsarts heeft op 30 mei 2024 gerapporteerd. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, waaronder het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 mei 2024 en appellant per 26 april 2024 geschikt geacht voor zijn laatste werk. Met een besluit van 31 mei 2024 heeft het Uwv geweigerd appellant per 26 april 2024 een uitkering op grond van de ZW toe te kennen.

Bij besluit van 19 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De beroepsgrond dat het onderzoek niet voldoende zorgvuldig is omdat appellant niet door een verzekeringsarts is gezien, slaagt niet. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de (verzekerings)artsen dossieronderzoek hebben verricht en rekening hebben gehouden met de inhoud van de eerdere medische rapporten, van een verzekeringsarts van 15 april 2024 en van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 mei 2024, die zijn opgesteld in het kader van de ziekmelding per 4 maart 2024. De toegenomen klachten die appellant in het kader van deze eerdere ziekmelding naar voren heeft gebracht en die zijn betrokken in de eerdere medische rapportages, zijn dezelfde klachten als die appellant naar aanleiding van de ziekmelding op de datum in geding naar voren heeft gebracht, namelijk de klachten als gevolg van het prikkelbare darmsyndroom (PDS), het syndroom van Tietze, de artrose aan de handen, versleten knieën en heupklachten. Bovendien is appellant bij die eerdere medische beoordeling nog op 15 april 2024 en 21 mei 2024 en dus net voor en even na de datum in geding, op een spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft geoordeeld dat de (verzekerings)artsen op inzichtelijke wijze en overtuigend hebben toegelicht dat appellant per 26 april 2024 zijn eigen werk kan verrichten. De (verzekerings)artsen hebben hun conclusies gebaseerd op wat er in de eerdere rapporten van de verzekeringsarts van 15 april 2024 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 mei 2024 is weergegeven met betrekking tot de lichamelijke klachten van appellant zoals hij die ook ten aanzien van de ziekmelding per 26 april 2024 naar voren heeft gebracht, met betrekking tot zijn dagverhaal, en de eigen bevindingen uit lichamelijk onderzoek. Deze medische bevindingen zien volgens de (verzekerings)artsen ook op de datum in geding en geven geen aanleiding om aan te nemen dat appellant beperkt geacht moet worden ten aanzien van veel en lang zitten en geconcentreerd werken. Uit het rapport van 15 april 2024 volgt dat er ten aanzien van aandacht en concentratie bij appellant geen bijzonderheden waarneembaar waren. Dit is op 21 mei 2024 bevestigd doordat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een goede concentratie en geheugen waargenomen had. Uit het rapport van 21 mei 2024 volgt verder dat appellant tijdens het onderzoek op 21 mei 2024 een uur rustig op de stoel kon zitten. De (verzekerings)artsen die over de onderhavige ziekmelding hebben gerapporteerd, hebben gemotiveerd overwogen dat er ten aanzien van de datum in geding geen nieuwe gezichtspunten zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan deze medische bevindingen en conclusies te twijfelen. Appellant heeft een andersluidende conclusie niet met medische informatie onderbouwd. Ten aanzien van de overige klachten van appellant hebben de (verzekerings)artsen inzichtelijk gemotiveerd dat deze, ondanks de ervaren klachten, geen beperkingen vormen voor het verrichten van het eigen werk van appellant. Dat appellant sinds 11 november 2024 wel ziekengeld ontvangt, maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat getwijfeld moet worden aan de conclusies van de (verzekerings)artsen. Deze beslissing ziet immers op een andere datum dan in dit geding. Uit de stukken volgt dat die toekenning verband hield met de ziekmelding van appellant op 12 augustus 2024 in verband met koorts, galsteenlijden en een verergering van klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in beroep gemotiveerd toegelicht dat uit de door appellant in beroep ingebrachte medische documenten niet volgt dat op de datum in geding sprake was van een duidelijke leverfunctiestoornis of dat appellant uiterlijke kenmerken vertoonde van leverlijden. Ook zijn er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wat betreft de diarreeklachten van appellant geen nieuwe gezichtspunten die zien op de datum in geding. In 1997 is de werkdiagnose PDS gesteld en hoewel in 2024 hernieuwd contact is geweest in verband met persisterende zeer invaliderende klachten, heeft medisch onderzoek volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog geen nieuwe classificerende diagnose opgeleverd. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat getwijfeld moet worden aan de medische grondslag van het bestreden besluit.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De ziekmelding per 26 april 2024 betreft een nieuwe medische situatie, met toegenomen klachten ten opzichte van de eerdere ziekmelding, per 4 maart 2024. Uit de telefoonnotitie van 20 juni 2024 blijkt dat appellant door zijn huisarts is verwezen naar het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis vanwege verergerde klachten, afwijkende bloedwaarden en ontlasting. Dit duidt op nieuwe medische feiten die een hernieuwd spreekuur rechtvaardigen. Appellant heeft aangevoerd dat hij heeft aangetoond dat hij meer klachten heeft dan eerder bekend was, als gevolg van versleten knieën, een kunstheup, het syndroom van Tietze, artrose aan handen en vingers en PDS. Deze klachten zijn medisch gedocumenteerd en maken het onmogelijk om langdurig zittend en geconcentreerd werk te verrichten, zoals vereist in zijn functie als reparateur van endoscopen. Appellant stelt dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de klachten op 26 april 2024 niet tot arbeidsongeschiktheid leiden, terwijl hier op 19 augustus 2024 wel sprake van is.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering per 26 april 2024 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden uitgebreid besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten genoemd en ook geen nieuwe medische stukken overgelegd. Appellant heeft er weliswaar op gewezen dat hij op 20 juni 2024 telefonisch aan het Uwv heeft doorgegeven dat hij zijn huisarts heeft bezocht en dat de huisarts hem heeft doorverwezen, maar deze informatie ziet niet op de medische situatie op de datum in geding, 26 april 2024. Dat zich na deze datum ontwikkelingen hebben voorgedaan in de medische situatie van appellant en dat hij uiteindelijk naar aanleiding van de ziekmelding per 12 augustus 2024 arbeidsongeschikt is geacht in de zin van de ZW, betekent niet dat de inschatting destijds van de medische situatie op de datum in geding onjuist was. De rechtbank heeft daarbij terecht betrokken dat appellant op 15 april 2024 en op 21 mei 2024 door de verzekeringsartsen van het Uwv op spreekuur is gezien. Er is daarom geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

De Raad heeft geen reden om een deskundige te benoemen, omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel ontbreekt.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering per 26 april 2024 in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) M.J.D van Haren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand