ECLI:NL:CRVB:2026:1063

ECLI:NL:CRVB:2026:1063

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer 25/394 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Vaststelling hoogte WIA-dagloon. Referteperiode juist vastgesteld. Het Uwv heeft terecht de inkomsten van appellante uit haar dienstverband in mindering gebracht op de WIA-uitkering. Omdat de uitbreiding van het aantal uren heeft plaatsgevonden na de referteperiode heeft het Uwv dit terecht niet betrokken bij de berekening van het maandloon.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/394 WIA, 25/395 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2025, 22/5322, 23/127 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 12 augustus 2026

In deze zaak heeft het Uwv het dagloon van de per 17 januari 2022 aan appellante toegekende WIAuitkering vastgesteld op € 114,16 en op het WIAmaandloon de inkomsten uit haar doorlopende dienstverband in mindering gebracht. Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv het extra loon als gevolg van de uitbreiding van haar werkzaamheden per 1 december 2021 had moeten opnemen in haar dagloon, dan wel dat (extra) loon niet in mindering had mogen brengen op haar WIAuitkering. Ook heeft zij gesteld dat haar WIAmaandloon niet lager mag zijn dan haar ZWmaandloon. De Raad volgt appellante hierin niet.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 juli 2026. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Appellante werkte als interieurverzorgster voor gemiddeld twaalf uur per vier weken bij [naam] ( [naam] ) en als medewerkster customer service voor gemiddeld 40,38 uur per week bij [naam B.V.] . ( [naam B.V.] ). Het Uwv heeft haar, in verband met ingetreden werkloosheid bij [naam B.V.] , per 11 februari 2019 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Appellante heeft zich, terwijl zij deze WWuitkering ontving, ziekgemeld per 20 januari 2020 en heeft vervolgens tot 19 februari 2021 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. De WWuitkering is per 19 februari 2021 herleefd. Op 4 maart 2021 heeft appellante zich, terwijl zij deze WWuitkering ontving, opnieuw ziekgemeld. Het Uwv heeft appellante vervolgens per 4 maart 2021 een ZWuitkering toegekend. Lopende deze ZWuitkering heeft appellante per 1 december 2021 haar werkzaamheden bij [naam] met acht uur uitgebreid naar twintig uur per vier weken.

Bij besluit van 5 januari 2022 heeft het Uwv appellante met ingang van 17 januari 2022 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 70,86%. Het Uwv heeft het dagloon (na indexering) vastgesteld op € 114,16 en (op basis daarvan) het WIAmaandloon op € 2.482,98. Het Uwv heeft het maandloon gebaseerd op het loon dat appellante heeft genoten in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019, de zogenoemde referteperiode. In deze referteperiode heeft appellante loon ontvangen van [naam] (op basis van twaalf uur per vier weken), loon van [naam B.V.] en een WWuitkering van het Uwv. In het besluit van 5 januari 2022 heeft het Uwv vermeld dat de inkomsten van appellante uit haar dienstverband bij [naam] ter hoogte van € 168,62 per maand, zijnde de inkomsten van 12 uur per vier weken, in mindering worden gebracht op het WIAmaandloon.

Bij besluit van 24 februari 2022 heeft het Uwv bepaald dat de WIAuitkering van appellante in verband met de inkomsten die zij ontvangt vanaf 17 januari 2022 als voorschot wordt betaald.

Appellante heeft op 28 februari 2022 aan het Uwv doorgegeven dat haar inkomsten uit het dienstverband van [naam] per 1 december 2021 zijn gewijzigd, omdat zij vanaf die datum 20 uur per vier weken is gaan werken.

Bij besluit van 4 maart 2022 heeft het Uwv vervolgens bepaald dat het voorschot per 1 maart 2022 wijzigt in € 326,25 per maand.

Het Uwv heeft appellante betaalspecificaties van 10 mei 2022 (over mei 2022), 13 juni 2022 (over juni 2022) en van 11 juli 2022 (over juli 2022) toegestuurd.

Bij beslissing op bezwaar van 27 juli 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de door appellante tegen de besluiten van 5 januari 2022, 24 februari 2022, 4 maart 2022 en de betaalspecificaties over mei 2022, juni 2022 en juli 2022 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft het Uwv de WIAuitkering over de periode van 17 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 definitief berekend. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante over deze periode een bedrag van € 577,60 bruto te veel aan uitkering heeft ontvangen. Dit bedrag heeft het Uwv van appellante teruggevorderd.

Het Uwv heeft appellante betaalspecificaties van 15 augustus 2022 (over augustus 2022), 12 september 2022 (over september 2022) en 10 oktober 2022 (over oktober 2022) toegestuurd.

Bij beslissing op bezwaar van 24 november 2022 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 28 juli 2022 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen de betaalspecificaties nietontvankelijk verklaard, omdat dit geen besluiten zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de uitkeringsspecificaties over de maanden mei 2022 en juni 2022, bestreden besluit 1 in zoverre vernietigd en de bezwaren gericht tegen de uitkeringsspecificaties over de maanden mei 2022 en juni 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat dit geen besluiten zijn in de zin van de Awb. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 voor het overige ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voorzover in hoger beroep nog van belang, het volgende overwogen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat uit artikel 61 van de WIA blijkt dat inkomen in mindering moet worden gebracht op de WIAuitkering. Daaruit blijkt ook dat de hoogte van de WIA-uitkering de eerste maanden 75% bedraagt (van A-B) en dat vanaf de derde maand recht bestaat op 70% (van A-B). De rechtbank heeft geoordeeld dat uit artikel 3:2 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) volgt dat het inkomen van appellante bij [naam] als loon moet worden aangemerkt en daarmee als inkomen in de zin van artikel 61 van de WIA. Een uitzondering om het loon niet tot het inkomen te rekenen doet zich volgens de rechtbank niet voor.

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de verrekening van de inkomsten en de verlaging van 75% naar 70% dwingendrechtelijk zijn geregeld in de WIA. Dit is een wet in formele zin. Het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling in de weg aan toetsing van artikel 61 van de WIA aan het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (zogenoemde ‘contra-legemtoepassing’). Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen.

De rechtbank heeft de stelling van appellante, dat het onrechtvaardig is dat haar inkomsten worden gekort op haar uitkering, begrepen als een verzoek om artikel 61 van de WIA buiten toepassing te laten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft geoordeeld dat de omstandigheden die appellante heeft aangevoerd niet zo bijzonder zijn dat artikel 61 van de WIA buiten toepassing kan worden gelaten. Het is de keuze geweest van de wetgever om te bepalen dat inkomen moet worden gekort op de WIAuitkering. Die keuze houdt in dat ook inkomen moet worden gekort dat geen enkel verband houdt met het dienstverband waaruit het recht op een WIAuitkering is voortgekomen. Dat appellante, zoals zij stelt, door de verrekening van de inkomsten niets overhoudt aan haar werkzaamheden bij [naam] , komt ook voort uit de keuze van de wetgever. De rechtbank heeft geoordeeld dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de wet buiten toepassing moet laten geen sprake is.

De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het Uwv terecht de inkomsten van appellante uit haar dienstverband bij [naam] in mindering heeft gebracht op de WIAuitkering.

Het standpunt van appellante

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij heeft geoordeeld dat het Uwv terecht haar inkomsten uit haar dienstverband bij [naam] in mindering heeft gebracht op haar WIAuitkering. Appellante heeft, in aanvulling op wat zij in de beroepsfase heeft aangevoerd, erop gewezen dat zij haar werkzaamheden bij [naam] per 1 december 2021, dus voorafgaand aan de toekenning van de WIAuitkering per 17 januari 2022, met acht uur heeft uitgebreid van twaalf uur per vier weken naar twintig uur per vier weken. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv deze extra acht uur dus (alsnog) had moeten opnemen in het WIAmaandloon. Zij heeft verder gesteld dat als dit niet kan, de (extra acht) uren uit haar dienstverband bij [naam] niet in mindering mogen worden gebracht op haar WIAuitkering. Appellante vindt de uitkomst van de in de bestreden besluit neergelegde toepassing van de wettelijke regels oneerlijk en onredelijk. Ter zitting heeft appellante de Raad verzocht, gelet op haar bijzondere omstandigheden, een uitzondering op de geldende wet- en regelgeving te maken. Appellante heeft tot slot herhaald dat het onacceptabel is dat haar WIAmaandloon per 17 januari 2022 lager is dan het ZWmaandloon dat zij tot 17 januari 2022 ontving.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het WIAmaandloon en de WIAuitkering op correcte wijze zijn vastgesteld. Het Uwv heeft erop gewezen dat het WIA-maandloon is gebaseerd op de in het refertejaar van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 ontvangen inkomsten. Wijzigingen in deze inkomsten na deze referteperiode kunnen volgens de wettelijke systematiek niet meer worden meegenomen bij de berekening van het WIAmaandloon. Het Uwv heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de inkomsten van appellante bij [naam] op juiste wijze zijn gekort op de haar per 17 januari 2022 toegekende WIAuitkering. Daarbij heeft het Uwv erop gewezen dat, zoals blijkt uit het besluit van 28 juli 2022, slechts 75% (tot 17 maart 2022) respectievelijk 70% (vanaf 17 maart 2022) van de inkomsten is gekort op het WIAmaandloon. Dat betekent dat 25% respectievelijk 30% van de bruto-inkomsten bij [naam] niet in mindering zijn gebracht op het WIAmaandloon, waarmee is gehandeld in overeenstemming met de doelstelling van de wetgever dat werken naast een WIAuitkering moet lonen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of het Uwv het WIAdagloon terecht heeft vastgesteld op € 114,16, zijnde een WIAmaandloon van € 2.482,98, of het Uwv de (extra) inkomsten van appellante bij [naam] terecht in mindering heeft gebracht op haar WIAuitkering en of het terecht is dat haar WIAmaandloon lager is dan haar eerdere ZWmaandloon. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

WIA-maandloon

Het Uwv heeft, uitgaande van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 20 januari 2020 en met toepassing van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit), de referteperiode voor de berekening van het WIAmaandloon terecht vastgesteld op de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Het Uwv heeft vervolgens met toepassing van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit het in aanmerking te nemen loon terecht vastgesteld op het loon dat appellante in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers. Dat betekent dat het Uwv in de dagloonvaststelling, naast het loon bij [naam B.V.] en de van het Uwv ontvangen WWuitkering, terecht het loon van appellante bij [naam] in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019, gebaseerd op twaalf uur per vier weken heeft betrokken. Omdat de uitbreiding van de werkzaamheden bij [naam] met acht uur naar twintig uur per vier weken pas heeft plaatsgevonden op 1 december 2021, en dus ruim na de referteperiode, heeft het Uwv dat extra loon terecht niet betrokken bij de berekening van het maandloon. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat het Uwv het WIAmaandloon heeft vastgesteld in overeenstemming met de daartoe geldende bepalingen. De beroepsgrond over de hoogte van het WIAmaandloon slaagt dus niet.

De Raad begrijpt de grond van appellante dat het oneerlijk en onredelijk is dat het loon in verband met de uitbreiding van haar uren bij [naam] met acht uur per 1 december 2021 niet is opgenomen in het WIAmaandloon zo dat zij stelt dat de bestreden besluiten op dat punt in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.

Met de bestreden besluiten heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat de bestreden besluiten berusten op gebonden bevoegdheden die zijn neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Er moet dan worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van uitoefening van de gebonden bevoegdheid zozeer onevenwichtig zijn, dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift waarop die bevoegdheid berust in het voorliggende geval achterwege moet blijven.

Dat appellante haar uren bij [naam] heeft uitgebreid na de geldende referteperiode, maar vóór de eerste WIAdag, is geen zodanige bijzondere omstandigheid. De Raad heeft al eerder overwogen dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon dwingend volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit en dat de referteperiode niet kan worden losgekoppeld van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het is verder vaste rechtspraak dat het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de referteperiode (historisch dagloon) bepalend is voor de vaststelling van het welvaartsniveau. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake. De beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

Korting inkomsten

Appellante heeft vanaf de eerste WIAdag van 17 januari 2022 inkomsten uit haar dienstverband bij [naam] , gebaseerd op (minimaal) twintig uur per vier weken. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat daarmee sprake is van inkomsten als bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, van het AIB, die op grond van artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA in mindering moeten worden gebracht op de WIAuitkering van appellante. De beroepsgrond over de korting van de inkomsten slaagt daarom niet.

Appellante heeft ook in het kader van de korting van haar inkomsten aangevoerd dat het niet eerlijk en onredelijk is dat de inkomsten in verband met de acht uur die zij bij [naam] extra is gaan werken per 1 december 2021 niet zijn opgenomen in haar WIAmaandloon, maar dat deze extra acht uur wel in mindering worden gebracht op haar WIAuitkering. Wat er netto overblijft is onvoldoende om de feitelijke reiskosten te dekken. De rechtbank heeft deze grond terecht opgevat als een verzoek om artikel 61 van de Wet WIA buiten toepassing te laten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft deze grond in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en toereikend gemotiveerd waarom deze niet slaagt. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven zodat daarnaar wordt verwezen.

Het Uwv heeft er verder terecht op gewezen dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een uitkeringsstructuur die tot gevolg heeft dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte – wat appellante was tot 2 mei 2023 – er in inkomen op vooruit gaat als hij (meer) gaat werken. Het Uwv heeft dat in bestreden besluit 1 ook toegelicht met een berekening. Uit deze berekening volgt dat werken loont. Dit heeft appellante ter zitting ook niet ontkend. De omstandigheid dat appellante netto minder overhoudt vanwege de reiskosten die zij zelf moet betalen doet daar niet aan af. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

ZW-maandloon

Appellante heeft tot slot aangevoerd dat het onacceptabel is dat haar WIAmaandloon per 17 januari 2022 lager is dan het ZWmaandloon dat zij tot 17 januari 2022 ontving.

Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat de regelgever ervoor heeft gekozen om in het Dagloonbesluit verschillende dagloonregels op te nemen voor het (in dit geval op het WWdagloon gebaseerde) ZWdagloon en het WIAdagloon. Appellante heeft gesteld dat Europese regelgeving het Uwv dwingt om uit te gaan van het hoogste dagloon. Appellante is er evenwel niet in geslaagd dit voldoende concreet te onderbouwen. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat het WIAmaandloon en de korting van de inkomsten per 17 januari 2022 op de WIAuitkering in stand blijven. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding voor een vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente, zodat het daartoe strekkende verzoek van appellante zal worden afgewezen.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

7. Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

In de zaak met zaaknummer 25/394 WIA betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 15 februari 2022 van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en (bijna) zes maanden verstreken. De redelijke termijn is daarmee met bijna zes maanden overschreden. Daarbij past een vergoeding van € 500,-. Van bijzondere omstandigheden die een langere behandelingsduur zouden kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 15 februari 2022 tot bestreden besluit 1 van 27 juli 2022 minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn niet is overschreden. Wel is sprake van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase, omdat deze meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is dus in de rechterlijke fase geschonden. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 500,-.

In de zaak met zaaknummer 25/395 WIA betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 29 augustus 2022 van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zijn drie jaar en ruim elf maanden, dus nog geen vier jaar, verstreken. Daaruit volgt dat de redelijke termijn niet is overschreden.

Proceskosten

Appellante heeft geen proceskosten gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor toekenning van een vergoeding daarvan is dan ook geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C. Karman en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. Gios

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 13 van de Wet WIA:

1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

[…]

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.

[…]

Artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA

De loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bedraagt per kalendermaand:

a. 0,75 x (A-B x C/D) over de eerste twee maanden waarin het recht op uitkering bestaat; en

b. 0,7 x (A-B x C/D) vanaf de derde maand waarin het recht op uitkering bestaat. Hierbij staat:

- A voor het maandloon;

- B voor het inkomen per kalendermaand;

- C voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is berekend;

- D voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit:

Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.

Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:

Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:

(A – B + C) / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;

C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en

D staat voor 261.

Artikel 3:2, eerste lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, voor zover hier van belang

Onder inkomen wordt verstaan:

a. a) hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet (…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand