ECLI:NL:CRVB:2026:1064

ECLI:NL:CRVB:2026:1064

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer 24/1874 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Benoeming deskundige. De Raad volgt de conclusies van de deskundige en komt tot het oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellante niet juist heeft vastgesteld. De Raad draagt het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak, inhoudende dat het Uwv de FML van 29 november 2022 in overeenstemming moeten brengen met de conclusies van de deskundige en vervolgens moet beoordelen welke gevolgen dat heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 9 januari 2023.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

24/1874 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2024, 23/8056 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 12 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 9 januari 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt de door hem benoemde deskundige en komt tot het oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellante niet juist heeft vastgesteld. Het Uwv moet opnieuw beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. El Badmoussi, advocaat en opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft verzekeringsarts drs. M. Vervoort, benoemd als onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft 21 oktober 2025 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijzen op het rapport ingediend. De deskundige heeft op 22 december 2025 nader gerapporteerd.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als ontbijt supervisor hotel voor gemiddeld 31,95 uur per week. Op 11 januari 2021 heeft zij zich vanuit een werkloosheidssituatie ziekgemeld met toenemende klachten in verband met fibromyalgie, coxartrose en darm- en nierklachten. Met ingang van 12 april 2021 heeft het Uwv aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 november 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%. Het Uwv heeft bij besluit van 15 december 2022 geweigerd om aan appellante met ingang van 9 januari 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 1 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek gezien de verrichte onderzoeksactiviteiten voldoende zorgvuldig is geweest. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante en dat per datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 26 oktober 2023 inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan de primaire arts heeft gedaan. Daarnaast heeft de rechtbank ook de uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullend rapport 9 januari 2024 gevolgd. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het argument van appellante, dat zij goede en slechte dagen heeft, waardoor sprake is van een verstoorde energiehuishouding, niet expliciet heeft benoemd in haar heroverwegingen, maakt volgens de rechtbank niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de heroverweging niet alle klachten van appellante heeft meegenomen.

Ook de verwijzing van appellante naar het rapport van de World Health Organization (WHO) en de STECR-richtlijn leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit vaste rechtspraak blijkt dat de STECR-richtlijn fibromyalgie een algemene richtlijn betreft die niet bepalend is voor de vaststelling van de specifieke beperkingen die voor appellante gelden. Een verzekeringsarts moet op basis van eigen bevindingen, verkregen door anamnese, lichamelijk onderzoek of overige voorhanden zijnde gegevens zoals informatie van behandelaars, huisarts en bedrijfsarts, de arbeidsbeperkingen vaststellen. Dit wordt niet anders doordat fibromyalgie als pijnsyndroom is vermeld in de ICD-11-lijst van de WHO. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat met de pijn- en vermoeidheidsklachten van appellante voldoende rekening is gehouden. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 7 mei 2023 inzichtelijk gemotiveerd dat de in beroep ingebrachte informatie van GGZ Delfland een intakeverslag betreft waaruit blijkt dat de geobserveerde klachten drie maanden na de datum in geding zijn ontstaan en sindsdien verergerd. Van de in de brief beschreven situatie is op de datum in geding geen sprake en dit komt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook overeen met de onderzoeksresultaten van het psychisch onderzoek van de primaire arts. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen. Over de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te concluderen dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat het onderzoek door de artsen van het Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld. Verder stelt zij dat fibromyalgie wordt miskend als chronisch pijnsyndroom. Appellante verwijst hierbij opnieuw naar de ICD-11 van de WHO en de STECR-richtlijn fibromyalgie. Hieruit volgt volgens appellante ook dat de goede/slechte dagencyclus in alle gevallen van fibromyalgie geldt en dat fibromyalgie een stoornis in de energiehuishouding betreft. Volgens appellante is de diagnose fibromyalgie in het bijzonder relevant nu haar lichamelijke en psychische klachten hiermee in een juiste context geplaatst worden en hierdoor verklaarbaar en inzichtelijk zijn.

Het standpunt van het Uwv

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog een rapport van 15 april 2025 ingebracht.

Inschakelen deskundige

4. Gelet op het verschil van inzicht tussen partijen omtrent de ernst en de daaruit voortvloeiende beperkingen van appellante in verband met haar medische aandoeningen, met name de fibromyalgie/het chronisch pijnsyndroom WPN 3, is bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid van haar beperkingen, zoals vastgelegd in de FML van 29 november 2022 en om de vraag of een urenbeperking had moeten worden aangenomen. De Raad heeft daarom aanleiding gezien om verzekeringsarts Vervoort als deskundige te benoemen.

Deskundigenrapport

In haar rapport van 21 oktober 2025 heeft de deskundige vastgesteld dat bij appellante op de datum in geding sprake was van fibromyalgie/chronisch pijnsyndroom WPN3, coxartrose, psoriasis, chronische nierschade en PTSS, dd angst- en somberheidsproblematiek. Zij heeft vervolgens geconcludeerd dat zij het gedeeltelijk eens is met de in de FML van 29 november 2022 vastgestelde beperkingen, maar is van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met de psychosociale component, de chronische pijnklachten en de gevolgen daarvan. Zij is van mening dat vanwege de psychische klachten van appellante aanvullende beperkingen aan de FML moet worden toegevoegd, te weten aangewezen op werk in een voorspelbare werksituatie (item 1.8.2), zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen (item 1.8.3) en geen veelvuldige deadlines of productiepieken (item 1.8.4). Verder acht zij appellante aanvullend beperkt in het omgaan met conflicten (item 2.8) en aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat (item 2.12.5). Voor wat betreft de lichamelijke belastbaarheid moeten volgens de deskundige aan de FML lichte beperkingen worden toegevoegd, te weten voor frequent reiken tijdens het werk (item 4.8), duwen en trekken (item 4.12), klimmen (geen additieve tilbelasting) (item 4.19), knielen of hurken (item 4.20) en voor geknield of gehurkt actief zijn (item 5.5) en gebogen en/of getordeerd actief zijn (item 5.6) en dienen ook lichte beperkingen te worden opgenomen op duur/frequentie. Ten aanzien van de urenbeperking heeft de deskundige gezien de combinatie van pijn, vermoeidheid en beperkte verbetering ondanks therapie een lichte urenbeperking passend geacht, te weten maximaal zeven uur per werkdag (item 6.2.2) en circa 30-32 uur per week (item 6.3.2).

Reactie Uwv op het deskundigenrapport

Het Uwv heeft met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 november 2025 gereageerd op het rapport van de deskundige. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan zich niet vinden in de conclusies van de deskundige. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt in het rapport ten onrechte de diagnose PTSS genoemd. Uit de brief van 23 november 2023 van de GGZ blijkt dat de klachten van appellante na april 2023 zijn verslechterd. De intake in april 2023 toonde weliswaar klachten maar deze lagen onder de drempel van een stoornis. In januari 2023 had appellante klachten, dat was ook de reden voor de verwijzing van de huisarts, maar deze klachten konden niet gezien worden als een psychische stoornis. In dezelfde brief van november 2023 wordt als diagnose ook geen PTSS genoemd. Bij het ontbreken van een stoornis in april 2023 is er geen reden om een psychische stoornis aan te nemen in januari 2023 en is er dan ook geen reden voor aanvullende beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Ook voor de aanvullende lichte fysieke beperkingen bestaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen objectief medische reden. Met een normale, niet bovennormale belasting wordt al tegemoetgekomen aan de eis dat zware lichamelijke belasting en werkzaamheden met een hoge fysieke prikkelintensiteit vermeden dienen te worden.

Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de reden die als urenbeperking wordt aangegeven niet behoort tot de aandoeningen die reden geven voor een urenbeperking conform de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid (Standaard). Ook is de hoogte van de urenbeperking ook niet conform de Standaard. Wanneer men tot een urenbeperking komt dan stelt de Standaard dat in principe een urenbeperking in blokken van twee uur per dag aangegeven dient te worden, dus acht, zes, vier of twee uur. Een goede reden om zeven uur aan te geven is er niet. Verder richt de beoordeling van de duurbelastbaarheid zich op het aantal uren per dag waarop iemand belastbaar is. De reden daarvoor is dat het bioritme van inspanning, recuperatie en slaap een 24-uurs ritme kent. Dit betekent dat iemand die één dag in de week een bepaald aantal uren kan werken, dat in principe ook op de andere werkdagen moet kunnen doen. Dat betekent in dit geval dat indien gebleven wordt bij de urenbeperking van zeven uur per dag dit per week uitkomt op een belastbaarheid van 35 uur en dus niet op 30-32 uur.

Reactie appellante op het deskundigenrapport

Appellante kan zich vinden in de conclusies van de deskundige.

Nader rapport van de deskundige

In het nadere rapport van 22 december 2025 heeft de deskundige geen aanleiding gezien haar standpunt te wijzigen. Zij heeft opgemerkt dat voor het aannemen van beperkingen geen precieze DSM-diagnose is vereist. Doorslaggevend zijn klachten en het daaruit voortvloeiende functioneren. De verwijzing door de huisarts naar de GGZ in januari 2023 vermeldt expliciet een vermoeden van een onderliggende angststoornis, depressieve klachten en mogelijk persoonlijkheidsproblematiek. Dat bij de intake in april 2023 de diagnose is uitgesteld, betekent niet dat er geen psychische problematiek bestond. De lichamelijke klachten stonden op dat moment voorop, wat de reden was om betrokkene eerst naar het revalidatietraject te verwijzen, maar dit laat onverlet dat de psychische klachten reeds aanwezig waren. Dat blijkt ook uit de medische documentatie van zowel de huisarts als GGZ Delfland en uit het latere behandelverloop, waaronder EMDR-therapie. Het ontbreken van een formeel vastgestelde stoornis doet niets af aan de aanwezigheid van functionele beperkingen die per datum in geding bestonden. De beoordeling is niet gebaseerd op diagnoses, maar op de beschreven klachten zoals herbelevingen, angst, somberheid en slaapproblemen. Deze klachten zijn door behandelaren benoemd en vormen de medische grond voor beperkingen in voorspelbaarheid van werk, omgaan met prikkels, deadlines en conflicten, alsmede voor het uitsluiten van leidinggevende taken.

Over de aanvullende fysieke beperkingen heeft de deskundige opgemerkt dat het bij verzekeringsgeneeskundige beoordelingen gebruikelijk is om lichte beperkingen op duur en frequentie van belastende handelingen toe te kennen bij chronische pijn, centrale sensitisatie en deconditionering, juist om pijnescalatie en overbelasting te voorkomen. De voorgestelde beperkingen sluiten zware belasting uit, maar laten reguliere belasting toe en zijn daarmee proportioneel.

Wat betreft de urenbeperking heeft de deskundige opgemerkt dat volgens haar de interpretatie van de Standaard door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet juist is. De Standaard richt zich op herstelvermogen en belastbaarheid, waar chronische pijn en centrale sensitisatie kunnen leiden tot verminderde inspanningstolerantie en slaapstoornissen en daarmee een valide indicatie voor een lichte urenbeperking zijn. De in de Standaard genoemde tijdsblokken zijn richtinggevend en laten ruimte voor maatwerk, waarbij dag- en weekgrenzen gecombineerd mogen worden. De gekozen omvang van maximaal zeven uur per dag en 30-32 uur per week betreft een milde beperking, passend bij het totaalbeeld, en is gemotiveerd vanuit het voorkomen van overbelasting zonder deconditionering te bevorderen.

Reactie Uwv op het nadere rapport

In het rapport van 11 februari 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat het haar taak is om zich te houden aan de FML-systematiek en CBBS-definities ter voorkoming van willekeur in de beoordeling en ongelijkheid van gelijksoortige gevallen. Dat geldt ook voor de Standaard.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft het dossier, met alle daarin aanwezige medische informatie, bestudeerd en appellante gezien op een spreekuur.

Wat van de kant van het Uwv is aangevoerd in reactie op het rapport van de deskundige geeft geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij wordt betrokken dat de deskundige in haar rapporten inzichtelijk, navolgbaar en overtuigend heeft gemotiveerd dat zij op basis van haar onderzoek en weging van alle beschikbare informatie tot de conclusie is gekomen dat bij appellante sprake is van psychische problematiek en lichamelijke klachten die verdergaande beperkingen op de FML rechtvaardigen. Verder heeft zij in het nadere rapport gemotiveerd gereageerd op het commentaar van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Ook ten aanzien van de urenbeperking ziet de Raad geen aanleiding om de conclusies van de deskundige niet te volgen. De deskundige heeft navolgbaar toegelicht dat de door haar genoemde urenbeperking, gelet op de bij appellante vastgestelde aandoeningen, passend en reëel is. Daarbij is een deskundige volgens vaste rechtspraak niet gebonden aan de Standaard. De Raad komt tot de conclusie dat de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de aanvullende beperkingen van de deskundige niet kunnen worden gevolgd, gelet op de rapporten van deskundige en de overige medische informatie, onvoldoende is om aan de juistheid van de conclusies van de deskundige te twijfelen.

Uit wat in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, vloeit voort dat het bestreden besluit berust op een ontoereikende medische grondslag. Het bestreden besluit kan wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand blijven. De Raad draagt het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak, inhoudende dat het Uwv de FML van 29 november 2022 in overeenstemming moeten brengen met de conclusies van de deskundige en vervolgens moet beoordelen welke gevolgen dat heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 9 januari 2023.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

6. Omdat het hoger beroep slaagt krijgt appellante een vergoeding voor haar proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de zienswijze na het deskundigenrapport, met een waarde per punt van € 934,-). De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 4.203,-.

7. Over het verzoek van appellante om schadevergoeding wordt overwogen dat het nu niet mogelijk is de schade in de vorm van wettelijke rente vast te stellen. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Het Uwv zal bij de nadere besluitvorming het verzoek van appellante om schadevergoeding moeten betrekken.

8. Ook moet het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellante betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 1 november 2023;

draagt het Uwv op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.203,-;

wijst het verzoek om vergoeding van schade af;

bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) M.J.D. van Haren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand