23/2482 WIA, 26/109 WIA
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2023, 20/1652 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft psychiater M. van Beem als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 9 juli 2025 rapport uitgebracht.
Op 28 oktober 2025 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft zijn zienswijze hierop gegeven en nadien diverse reacties ingediend.
De Raad heeft de zaken, gevoegd met zaak 23/2251 WIA, behandeld op een zitting van 18 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn zoon [naam zoon] . Als toehoorder was mr. O. Labordus aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman. Na sluiting van het onderzoek zijn de zaken weer gesplitst en wordt in zaak 23/2251 WIA afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Bij besluit van 5 januari 2017 heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 31 oktober 2016 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Bij beslissing op bezwaar van 12 juni 2017 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op 77,66% vastgesteld. Bij uitspraak van 12 december 2017 (17/1484) heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 september 2021 heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.
Bij het bereiken van het einde van de loongerelateerde uitkering per 1 mei 2019 is aan appellant een WGAvervolguitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%. Op verzoek van de werkgever heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden nog steeds beperkingen heeft. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en per 3 juni 2019 een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 71,48%. Het Uwv heeft bij besluit van 17 juli 2019 vastgesteld dat de WIAuitkering van appellant niet wijzigt.
Bij beslissing op bezwaar van 5 februari 2020 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, in zoverre dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 3 juni 2019 alsnog is vastgesteld op 75,49%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten.
Hoger beroep
Hangende de procedure in hoger beroep, na het uitbrengen van het deskundigenrapport door psychiater Van Beem, heeft het Uwv op 28 oktober 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarbij appellant per 3 juni 2019 alsnog een IVAuitkering is toegekend.
Appellant heeft te kennen gegeven het ook niet eens te zijn met bestreden besluit 2. Wat hij in dit verband heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad zal zowel de aangevallen uitspraak als bestreden besluit 1 vernietigen en het beroep tegen dat besluit gegrond verklaren. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 6:24 van de Awb wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.
Met bestreden besluit 2 is in zoverre aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen, dat hem alsnog met terugwerkende kracht per de datum in geding (3 juni 2019) een IVAuitkering is toegekend. Appellant kan zich echter niet verenigen met de diagnose die door de deskundige in diens rapport van 9 juli 2025 is gesteld en hij is het ook niet eens met de gang van zaken rond het deskundigenonderzoek. Appellant heeft hierover diverse klachten ingediend bij de Raad, de Nationale Ombudsman en het Medisch Tuchtcollege. Die klachten zijn echter alle ongegrond verklaard en doen als zodanig ook niet af aan de toekenning van de IVAuitkering per 3 juni 2019, waartegen appellant als zodanig geen (onderbouwde) gronden heeft ingediend.
Appellant heeft daarnaast verzocht om schadevergoeding als gevolg van het onrechtmatige besluit 1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die een belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Het Uwv heeft aanvankelijk een nabetaling verricht over de ten onrechte niet uitbetaalde IVAuitkering en heeft daarbij ook de wettelijke rente vergoed. Gelet op het verhandelde ter zitting is die nabetaling op verzoek van appellant teruggedraaid, zodat vooralsnog geen fiscale schade voor appellant is opgetreden. Als appellant door de toekomstige nabetaling wel fiscale schade lijdt, kan hij zich met een nieuw schadeverzoek wenden tot het Uwv, zoals ter zitting besproken.
Appellant heeft daarnaast een groot aantal posten aan beweerdelijk geleden materiele schade gevorderd, waaronder huishoudelijke hulp, schade aan persoonlijke eigendommen, studievertraging, medische kosten, duurdere verzekeringen, achterstallig reparatieonderhoud aan zijn camper en schade aan zijn ICTomgeving. Appellant heeft niet onderbouwd, en voor de Raad is niet aannemelijk geworden, dat die schadeposten het gevolg zijn van het onrechtmatige bestreden besluit 1.
Naar het oordeel van de Raad heeft appellant ten slotte onvoldoende onderbouwd dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het onrechtmatige bestreden besluit 1. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop het Uwv zijn zaak heeft behandeld heeft geleid tot een aantasting in zijn eer en goede naam dan wel anderszins een aantasting in zijn persoon, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Volgens vaste rechtspraak is voor toewijzing van immateriële schadevergoeding onvoldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig besluit of de behandeling van een daarop gevolgd bezwaar.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep tegen bestreden besluit 1 wordt gegrond verklaard en dat besluit wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
7. Wel dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 februari 2020 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2025 ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) G.T. Hunsel