SAMENVATTING
25/1646 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 juli 2025, 24/7677 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 10 januari 2024 geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.M. Voogt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Voor appellante is mr. Voogt verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M Rutten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als keukenhulp voor 20 uur per week. Op 12 januari 2022 heeft zij zich ziekgemeld. Zij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 22 april 2024 geweigerd appellante met ingang van 10 januari 2024 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 3 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 20 september 2024 een nieuwe FML opgesteld waarin de belastbaarheid van appellante op enkele punten is gewijzigd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat één van de geduide functies niet geschikt is voor appellante en heeft daarvoor in de plaats een andere functie geduid. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft daarmee onder de 35%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe is overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Met de door appellante gestelde klachten, waaronder psychische klachten en klachten aan haar nek en schouder is, voor zover de klachten geobjectiveerd konden worden en betrekking hebben op de datum in geding, rekening gehouden. Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de rechtbank van oordeel dat een medisch objectiveerbare onderbouwing voor het aannemen van een urenbeperking ontbreekt. Niet gebleken is dat in de FML van 20 september 2024 de beperkingen van appellante zijn onderschat.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het standpunt van appellante dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten, voortvloeit uit haar opvatting dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Ten aanzien van de gestelde overschrijding op het aspect ‘reiken’ in de functie van inpakker heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, heeft toegelicht waarom, ondanks een beperking op dit aspect, appellante de functie kan vervullen. De mate van arbeidsongeschiktheid per 10 januari 2024 is terecht vastgesteld op 23,88%.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Appellante heeft aangevoerd dat onvoldoende waarde is gehecht aan de informatie van de behandelend revalidatiearts dr. Voerman van 29 januari 2025. Niet van belang is wanneer het rapport is opgesteld, maar of de daarin opgenomen medische bevindingen licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante rond de datum in geding. De revalidatiearts beschrijft de klachten van appellante en heeft expliciet geconcludeerd dat appellante haar dagelijkse activiteiten niet duurzaam kan volhouden en dat zelfs beperkte overbelasting verdere stabilisatie en herstel in de weg staat. In de FML is geen rekening gehouden met de noodzaak om regelmatig te wisselen van houding en er zou ook een urenbeperking opgenomen moeten worden. Appellante volgde rond de datum in geding intensieve therapie.
Deze grond slaagt niet. De brief van de revalidatiearts bevat geen nieuwe medische gegevens over de situatie van appellante op de datum in geding. In de brief is de medische problematiek beschreven, namelijk chronische gegeneraliseerde pijnklachten tegen de achtergrond van meerdere life events. Deze informatie was al bekend bij de (bezwaar)verzekeringsartsen en is meegewogen bij de beoordeling. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante heeft wel gesteld, maar niet onderbouwd dat zij rond de datum in geding intensieve therapie volgde. Uit een brief van het Uwv van 1 april 2025 blijkt wel dat appellante van 22 november 2024 tot en met 6 maart 2025 onder behandeling was, maar die behandeling is dus aangevangen ruim na de datum in geding van 10 januari 2024 en overigens is niet bekend wat die behandeling inhield. De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Om die reden wordt het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen ook afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn. De Raad verwijst wat betreft de arbeidskundige component van de schatting naar de aangevallen uitspraak en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIAuitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.