SAMENVATTING
25/1014 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2025, 24/39 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[Naam B.V.] (ex-werkgever)
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 17 juni 2023 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar geduide functies te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. Hulshof, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De ex-werkgever neemt als derde belanghebbende deel en heeft een reactie ingezonden.
Omdat appellante geen toestemming heeft gegeven om haar medische gegevens aan de exwerkgeefster te verstrekken, heeft de Raad onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat kennisneming van medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van de ex-werkgever.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hulshof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. van Piggelen. De ex-werkgever heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.M. de Wit.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als machine operator/allround medewerker voor 37,27 uur per week. Op 12 mei 2022 heeft zij zich ziekgemeld. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 16 mei 2023 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 17 juni 2023 beëindigd, omdat appellante meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
Bij besluit van 24 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 1 november 2024 een nieuwe FML opgesteld waarin meer beperkingen zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de geduide functies opnieuw bekeken. Eén van de reservefuncties is wegens een ontoelaatbare overschrijding op een belastbaarheidsaspect alsnog komen te vervallen. De andere reservefunctie is niet geschikt geacht en daarvoor in de plaats is binnen dezelfde SBC-code een andere functie geduid. De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt daardoor niet en blijft onder de 35%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is en dat er in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen. Appellante heeft in beroep geen medische informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is en reden geeft voor twijfel aan de juistheid van de belastbaarheid zoals die is vastgesteld in de (tweede) FML. Aan hoe appellante zelf haar klachten en haar belastbaarheid ervaart, kan bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid geen doorslaggevende betekenis toekomen. Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de juistheid van de medische beoordeling, is het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het in het rapport van 21 november 2023 gemotiveerd waarom de geduide functies passen bij de belastbaarheid van appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft dan is aangenomen in de FML. Zij heeft een onafhankelijke medische deskundige, de verzekeringsarts L.J.L. Ploum, ingeschakeld. Ploum heeft een rapport gedateerd op 12 juli 2025 opgesteld.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juni 2026 ingediend waarin wordt ingegaan op de bevindingen van verzekeringsarts Ploum en heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het standpunt van de ex-werkgever
5. De ex-werkgeefster heeft zich op het standpunt gesteld dat de gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd een herhaling zijn van de eerder aangevoerde bezwaar- en beroepsgronden.
Het oordeel van de Raad
6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Appellante heeft in hoger beroep de gronden van het beroep herhaald. De rechtbank heeft deze gronden besproken en geoordeeld dat ze niet slagen. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe gronden ingediend. Wel heeft appellante in hoger beroep ter onderbouwing van haar grond dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld een rapport van verzekeringsarts Ploum ingediend. De Raad oordeelt dat het rapport van Ploum niet leidt tot een ander standpunt. Ploum is, na bestudering van de medische stukken en eigen onderzoek, tot de conclusie gekomen dat er voor wat betreft de datum in geding geen reden is om af te wijken van de FML van 1 november 2023. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de door appellante ingeschakelde deskundige het eens zijn over de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding en de Raad zelf geen aanknopingspunten ziet om te twijfelen aan de juistheid daarvan, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank over de medische beoordeling.
Arbeidskundige beoordeling
Appellante heeft geen arbeidskundige gronden ingediend. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk in, tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.