SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1211 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2024, 23/2152 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante per 22 maart 2022 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellante zijn de beperkingen duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVAuitkering, maar een WGA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 29 april 2026 een tussenuitspraak gedaan.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 28 mei 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, een zienswijze ingediend en een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met het volgende.
In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de door de Raad ingeschakelde deskundige psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing in haar rapport van 22 september 2025 voldoende overtuigend en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat appellante verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 29 september 2023. De deskundige heeft een beperking noodzakelijk geacht op het beoordelingspunt uiten van eigen gevoelens (2.7) en heeft geoordeeld dat inzetbaarheid van vijf uur per dag en twintig uur per week, vanuit psychiatrisch oogpunt, niet haalbaar is. Volgens de deskundige wordt appellante gezien haar dagelijkse zeer beperkte mate van functioneren en passieve en afhankelijke coping vooralsnog niet in staat geacht arbeidsmatig te functioneren, zowel op de datum in geding als actueel. Bij de tussenuitspraak is het Uwv opgedragen de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante en haar aanspraken op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 22 maart 2022 opnieuw te beoordelen. Tevens is het Uwv opgedragen de duurzaamheid van de beperkingen van appellante te beoordelen.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 28 mei 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Daarin heeft het Uwv bepaald dat appellante vanaf 22 maart 2022 recht heeft op een WGA-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante is volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 mei 2026 ten grondslag.
Het standpunt van appellante
2. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat niet inzichtelijk is op grond waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat een IVA-uitkering niet is aangewezen. Volgens appellante heeft de deskundige Hernandez-Dwarkasing beschreven dat zij de prognose vrij ongunstig acht en dat er op korte of middellange termijn geen verbetering wordt verwacht. Dit wijst erop dat de functionele beperkingen niet binnen afzienbare tijd zullen verbeteren. Daarbij heeft appellante, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad aangevoerd dat een summiere reactie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep niet volstaat om te onderbouwen dat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam van aard is en dat de betrokkene daarom geen recht op een IVA-uitkering heeft.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv heeft verzocht om het beroep tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 28 mei 2026, waarbij appellante volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is geacht, ongegrond te verklaren.
Het oordeel van de Raad
4. Met de gewijzigde beslissing op bezwaar is het Uwv niet volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep dan ook mede betrekking op dit besluit.
In geschil is nog de vraag of de arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding, 22 maart 2022, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellante op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA- in plaats van een WGAuitkering.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 25 februari 2026 en 21 mei 2026 uiteengezet dat er voldoende op verbetering van klachten en functioneren gerichte behandelmogelijkheden zijn die theoretisch tot een verbetering van de belastbaarheid kunnen leiden. Bij een adequate behandeling van deze problematiek kon op datum in geding gedurende het eerste jaar een geleidelijke verbetering van de klachten en functioneren worden verwacht, met een voortzetting hiervan in het tweede jaar, waarmee een verbetering van de beperkingen in alle rubrieken kon worden verwacht, evenals een vermindering van de urenbeperking. Er was derhalve een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor dit standpunt bevestiging gevonden in het rapport van de deskundige Hernandez-Dwarkasing die heeft overwogen dat appellante tot op de datum van haar onderzoek voor de somatisch-symptoomstoornis onvoldoende toereikend behandeld lijkt te zijn. Volgens de deskundige zoekt appellante voornamelijk verlichting van pijnmedicatie en hulp bij haar lichamelijke ongemakken, terwijl de psychische component van haar problematiek in behandeling onderbelicht is gebleven. Dit heeft waarschijnlijk ook met haar overtuiging te maken dat zij lichamelijk ziek is en dat behandeling hierop gericht dient te zijn, meer dan op hoe zij hiermee omgaat. Appellante wordt geadviseerd dat er een psychologische behandeling wordt ingezet voor de somatisch-symptoomstoornis, conform de zorgstandaard Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK). Een psychologische behandeling kan op basis van cognitieve gedragstherapie (CGT), Acceptante and Commitment Therapy (ACT) of psychodynamische psychotherapie plaatsvinden. Daarbij kan een toevoeging van EMDR mogelijk zinvol zijn, indien er, zoals vermoed wordt, onverwerkte traumatische ervaringen zijn die de somatisch-symptoomstoornis in stand houden. EMDR gericht op verwerking hiervan, met specifieke aandacht voor bijbehorende lichamelijke sensaties, kan dan geschikt zijn en EMDR is inmiddels evidence based voor de toepassing bij pijn.
In wat appellante heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat de deskundige heeft gerapporteerd dat de prognose op de datum van het onderzoek vrij ongunstig wordt geacht, leidt niet tot een ander oordeel. De prognose van de deskundige voor de toekomst is gebaseerd op het reeds lange bestaan van de klachten en de beperkte behandeling die onderzochte heeft gehad en gezocht op psychiatrisch en psychologisch vlak. Dit laat onverlet dat de in het rapport van de deskundige genoemde behandelingen dan wel therapieën op de datum in geding, 22 maart 2022, nog tot verbetering van de belastbaarheid kunnen leiden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht tot welke verbeteringen van de belastbaarheid de behandelingen kunnen leiden. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante op 22 maart 2022 niet duurzaam van aard is.
Conclusie en gevolgen
Uit de tussenuitspraak en de gewijzigde beslissing op bezwaar volgt dat het bestreden besluit van 17 februari 2023 niet juist was. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond heeft verklaard, niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ook aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover aangevochten, het beroep tegen het bestreden besluit van 17 februari 2023 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.
5. Uit overwegingen 4.4 en 4.5 volgt dat het beroep tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 28 mei 2026 ongegrond zal worden verklaard. Dit betekent dat de toekenning van een WGA-uitkering in stand blijft.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
Over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.
Over de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt in de eerste plaats gewezen op de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009.De Raad heeft in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Voorts wordt gewezen op de uitspraak van de Raad van 7 maart 2014, waarin in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan wordt toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hogerberoepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hogerberoepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende. Vanaf het moment dat appellante op 17 mei 2022 kennisnam van het bezwaar van de werkgever tegen het besluit van 1 april 2022 tot de datum waarop de Raad uitspraak heeft gedaan, zijn ruim vier jaar en drie maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014. De redelijke termijn is dus met meer dan 3 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.
De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 17 maart 2023 tot de tussenuitspraak van de Raad op 29 april 2026 is drie jaar en (naar boven afgerond) twee maanden, dus binnen drie en een half jaar. De Raad heeft binnen een jaar na ontvangst op 2 juni 2026 van het besluit van 28 mei 2026, met welk besluit de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak gedaan.
Het voorgaande betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van het Uwv komt. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene tot een bedrag van € 500,-.
Proceskosten
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor verleende rechtsbijstand begroot op € 3.269,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en een 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze op het deskundigenrapport, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 februari 2025 en 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze op het besluit van 28 mei 2026, met een waarde per punt van € 934,-). De kosten die appellante heeft moeten maken voor het inschakelen van een medisch adviseur komen tot een bedrag van € 1089,- voor vergoeding in aanmerking.
Er is ook aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt met wegingsfactor 0,5).
In totaal bedraagt de kostenvergoeding dus € 4.825,-.
Ook moet het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 februari 2023 gegrond en vernietigt dit besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 mei 2026 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.825,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.J.D. van Haren