SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2478 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juli 2023, 22/1402 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Landgraaf (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Het gaat in deze zaak om een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant. Volgens het dagelijks bestuur is het bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit niet binnen de wettelijke bezwaartermijn ingediend. Appellant is het daar niet mee eens. Hij heeft het bezwaarschrift tijdig op de post gedaan en mocht er daarom op vertrouwen dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Appellant krijgt daarin geen gelijk. Daarnaast gaat het in deze zaak om een terugvordering van de kosten van bijstand. Volgens het dagelijks bestuur heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden omdat hij het dagelijks bestuur niet heeft gemeld dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Daardoor is het recht niet vast te stellen. Als gevolg daarvan heeft appellant ten onrechte bijstand ontvangen. Ook daar is appellant het niet mee eens. Volgens appellant heeft hij volledige openheid van zaken gegeven en mag het dagelijks bestuur zich niet baseren op de afgelegde verklaringen. Appellant krijgt daarin ook geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 december 2025. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.J. Michiels-Stevelmans.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontving sinds 31 juli 2019 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) met toepassing van de kostendelersnorm. Daarnaast verricht appellant activiteiten als zelfstandige. Het dagelijks bestuur heeft appellant toestemming gegeven om zijn activiteiten als zelfstandige voort te zetten. Als zelfstandige verricht appellant activiteiten met betrekking tot de verkoop van kantoorartikelen waarbij hij zich richt op de Duitse markt.
Appellant heeft bij het dagelijks bestuur opgegeven te wonen op een adres in [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellant staat samen met zijn meerderjarige zoon (X) in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het uitkeringsadres. Ook X ontving bijstand van het dagelijks bestuur met toepassing van de kostendelersnorm.
Op 22 april 2021 heeft X in het kader van een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie tegenover sociaal rechercheurs/toezichthouders van de Sociale Recherche van de Intergemeentelijke sociale dienst Brunssum-Onderbanken-Landgraaf (toezichthouders) een verklaring afgelegd. In dit gesprek heeft X onder andere verklaard dat hij praktisch alleen op het uitkeringsadres woont, dat appellant daar geen eigen kamer heeft, dat appellant op papier staat ingeschreven op het uitkeringsadres, maar dat X feitelijk sinds zijn 18e, dus in principe sinds vijf jaar, onafgebroken alleen op het uitkeringsadres woont omdat appellant in Duitsland woont. Naar aanleiding hiervan hebben de toezichthouders een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.
Met een e-mailbericht van 22 april 2021 heeft appellant het dagelijks bestuur meegedeeld dat hij over een week inkomen zal verkrijgen, dat hij om praktische redenen al sinds twee weken in Duitsland verblijft en dat hij begrijpt dat zijn recht op bijstand daarmee zal vervallen. Appellant heeft daarop meegedeeld dat zijn recht op bijstand per 8 april 2021 mag worden ingetrokken. Met een besluit van 28 april 2021 heeft het dagelijks bestuur vervolgens de bijstand van appellant met ingang van 8 april 2021 beëindigd (lees: ingetrokken).
In het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand hebben de toezichthouders gegevens opgevraagd over het water-, gas- en elektraverbruik op het uitkeringsadres. Daarnaast hebben de toezichthouders appellant uitgenodigd voor een gesprek op 12 mei 2021. Tijdens dit gesprek heeft appellant een verklaring afgelegd die hij niet wilde ondertekenen. Na dit gesprek heeft appellant op dezelfde dag in een e-mailbericht van 12 mei 2021 aan de toezichthouders een andersluidende verklaring afgelegd waarin hij heeft meegedeeld dat hij van zijn eerdere verklaring terugkomt. Appellant heeft daarin onder andere vermeld dat hij gedurende de periode 31 juli 2019 tot en met 8 april 2021 zelden in [woonplaats] was, dat hij dit had moeten melden bij het dagelijks bestuur, dat hij dat niet heeft gedaan en dat dat zijn fout is. Deze nieuwe verklaring is door appellant op verzoek van het dagelijks bestuur tevens ingediend op 17 mei 2021 en is wel door appellant ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 mei 2021.
De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om met een besluit van 27 mei 2021 (verzonden: 31 mei 2021) de bijstand van appellant per 31 juli 2019 in te trekken. Met een besluit van 9 november 2021 heeft het dagelijks bestuur de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 31 juli 2019 tot en met 7 april 2021 tot een bedrag € 16.153,30 van appellant teruggevorderd. Tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 21 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit van 27 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Hiernaast heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 9 november 2021 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant, door het dagelijks bestuur niet te melden dat hij zijn hoofdverblijf niet (langer) op het uitkeringsadres had, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en dat hij als gevolg daarvan ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit
Niet in geschil is dat het intrekkingsbesluit van 27 mei 2021 op 31 mei 2021 door middel van toezending aan appellant op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en dat appellant dit besluit heeft ontvangen, zodat de bezwaartermijn van zes weken op 12 juli 2021 is geëindigd. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit, met dagtekening 10 juni 2021, pas op 3 december 2021 ontvangen. Dit blijkt uit de datumstempel op de enveloppe van het tegen het terugvorderingsbesluit ingediende bezwaarschrift, waar het bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit als bijlage was bijgevoegd.
Appellant heeft aangevoerd dat hij het bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit binnen de bezwaartermijn heeft ingediend, omdat hij dit bezwaarschrift op 10 juni 2021 in de brievenbus van PostNL heeft gedeponeerd en hij erop mocht vertrouwen dat PostNL het poststuk tijdig bij het dagelijks bestuur zou bezorgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het ligt op de weg van de indiener van een bezwaarschrift om de tijdige verzending daarvan aannemelijk te maken. Appellant is daarin niet geslaagd. De enkele stelling dat een bezwaarschrift ter post is bezorgd in een geval waarin het bestuursorgaan stelt het geschrift niet te hebben ontvangen is onvoldoende om aan te nemen dat het bezwaarschrift is verzonden. Het is in dat geval aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hij het geschrift ter post heeft bezorgd. Zoals appellant ter zitting heeft erkend blijkt uit het dossier niet dat hij het bezwaarschrift op 10 juni 2021 ter post heeft bezorgd. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat appellant pas op 3 december 2021, en dus buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken, bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit. Dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij erop mocht vertrouwen dat PostNL zijn bezwaarschrift tijdig bij het dagelijks bestuur zou bezorgen, is geen omstandigheid op grond waarvan de overschrijding van de termijn verschoonbaar is. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van appellant tegen het intrekkingsbesluit dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit
De te beoordelen periode loopt van 31 juli 2019 tot en met 7 april 2021.
Terugvordering van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de PW is een voor de betrokkene belastende besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Eén van die toepassingsvoorwaarden is dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden.
Tussen partijen is in geschil of appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het dagelijks bestuur heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft gemeld dat hij in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het dagelijks bestuur heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaring van X van 22 april 2021, de nieuwe verklaring van appellant van 12 mei 2021 samen met de gelijkluidende ondertekende verklaring van 17 mei 2021 van appellant en de verbruiksgegevens van gas-, water- en elektra op het uitkeringsadres.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht om juiste en volledige informatie over zijn uitkeringsadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
Wist het dagelijks bestuur van verblijf in buitenland?
Appellant heeft allereerst aangevoerd dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat het dagelijks bestuur bij de aanvang van bijstand bekend was met de activiteiten van appellant in Duitsland en dat hij in verband daarmee af en toe tijdelijk in Duitsland verbleef. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Uit het dossier blijkt niet dat appellant kenbaar heeft gemaakt dat hij voor zijn werkzaamheden als zelfstandige af en toe in Duitsland verbleef. In het toekenningsbesluit staat slechts dat appellant toestemming krijgt om zijn werkzaamheden als zelfstandige tot 1 november 2019 te verrichten. In de overige stukken, zoals het door appellant verstrekte ondernemersplan, wordt ook niet vermeld dat appellant soms in Duitsland verbleef. Dat bekend was dat appellant zich als zelfstandige op de Duitse markt richtte, betekent – anders dan appellant stelt – niet dat ook bekend was dat hij daar af en toe verbleef.
Geen hoofdverblijf op het uitkeringsadres
Anders dan appellant heeft aangevoerd, bieden de verklaring van X, zijn eigen verklaringen en het waterverbruik een toereikende grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellant in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Appellant heeft betwist dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres en voert daartoe aan dat de verklaring van X niet voor de besluitvorming mag worden gebruikt. X is door de toezichthouders onder druk gezet en heeft zijn verklaring in een psychotische toestand afgelegd. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant een nieuwe, gewijzigde verklaring van X ingediend. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat de tegenover een toezichthouder, sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring juist is. Dit is vaste rechtspraak. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van dit algemene uitgangspunt af te wijken. X heeft tijdens het gesprek op 22 april 2021 desgevraagd verklaard dat hij in staat is het gesprek te voeren en dat hij het een fijn gesprek vond. Hij heeft de verklaring doorgelezen, ondertekend en op iedere bladzijde geparafeerd. Zijn verklaring is consistent en gedetailleerd. De stelling dat X destijds in een psychotische toestand verkeerde, heeft appellant niet met stukken onderbouwd. De in hoger beroep overgelegde gewijzigde verklaring van X is daarvoor onvoldoende. Het dagelijks bestuur mocht de besluitvorming dan ook mede baseren op de verklaring van X van 22 april 2021, waarin X, zoals onder 1.4 overwogen, onder meer heeft verklaard dat hij sinds vijf jaar onafgebroken alleen op het uitkeringsadres woont, dat appellant in Duitsland woont en enkel op papier op het uitkeringsadres staat ingeschreven.
Appellant heeft verder aangevoerd dat zijn verklaringen van 12 en 17 mei 2021 ook niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd, omdat hij deze verklaringen in paniek heeft afgelegd. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
In deze verklaringen heeft appellant, zoals onder 1.6 overwogen, onder andere meegedeeld dat hij in de periode van 31 juli 2019 tot en met 8 april 2021 zelden in [woonplaats] was en dat hij dit aan het dagelijks bestuur had moeten melden. Dat appellant deze verklaringen onder druk heeft afgelegd blijkt niet uit het dossier. Integendeel, in de nieuwe verklaring in het e-mailbericht van 12 mei 2021 komt appellant uit eigen beweging terug op de niet ondertekende verklaring die hij eerder op die dag heeft afgelegd. Deze nieuwe verklaring heeft appellant vervolgens op 17 mei 2021 herhaald en ondertekend.
Verder vormen de verkregen gegevens over het water- en gasverbruik op het uitkeringsadres een ondersteuning voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De verklaring van appellant dat hij heel zuinig leeft, is voor dit lage verbruik niet een voldoende verklaring, mede gelet op het feit dat ook X op het uitkeringsadres woont en daar zijn hoofdverblijf heeft.
Schending inlichtingenverplichting
De verklaringen van X en appellant vormen samen met de gegevens over het water- en gasverbruik voldoende feitelijke grondslag voor de vaststelling dat appellant in de te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres woonde. Appellant heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet gemeld dat hij in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Gelet op deze schending van de inlichtingenverplichting en de gezien 4.1 in rechte vaststaande intrekking van de bijstand over de te beoordelen periode was het dagelijks bestuur op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW gehouden om de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel
Tot slot voert appellant aan dat de terugvordering niet evenredig is. Appellant vindt dat het dagelijks bestuur rekening had moeten houden met zijn persoonlijke omstandigheden, waarbij hij heeft gewezen op een uitspraak van 24 november 2014.Volgens appellant heeft hij de inlichtingenverplichting slechts gedeeltelijk geschonden omdat bekend was dat hij werkzaam was op de Duitse markt. Daarom had het dagelijks bestuur een korting moeten toepassen. Wat appellant heeft aangevoerd over de terugvordering is zo te begrijpen dat hij meent dat het dagelijks bestuur om dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Daartoe is het volgende van belang.
Het dagelijks bestuur is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het dagelijks bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
Op grond van wat appellant naar voren heeft gebracht heeft het dagelijks bestuur bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellant heeft niet gemeld dat hij niet (langer) zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Zoals onder 4.11 is geconcludeerd heeft appellant daarmee de inlichtingenverplichting geschonden. De terugvordering is dus niet mede ontstaan of opgelopen door toedoen van het dagelijks bestuur, maar het gevolg van het niet melden van het (tijdelijk) verblijf in Duitsland. Dat appellant wel gemeld had activiteiten in Duitsland te ontplooien maakt dat niet anders. De uitspraak waar appellant op heeft gewezen, kan hem niet baten. Deze uitspraak gaat, anders dan de zaak van appellant, over een besluit tot het opleggen van een boete, zijnde een punitieve sanctie waarvoor een ander toetsingskader geldt. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit en de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Wolfrat en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) S. Ploum
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
(…).
Artikel 6:9
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet- ontvankelijk-verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Participatiewet
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
(…).
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
(…)
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.