ECLI:NL:CRVB:2026:1075

ECLI:NL:CRVB:2026:1075

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 06-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 25/330 AOW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering A1-verklaring af te geven. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2021 niet alleen vanuit Polen (en Duitsland) werkte maar ook – meer dan marginaal – vanuit Nederland. De Raad is net als de rechtbank van oordeel dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres werkzaamheden in Nederland heeft uitgeoefend, laat staan dat zij een substantieel gedeelte van haar werkzaamheden in Nederland verrichtte. De Nederlandse socialezekerheidswetgeving over de periode in geding is niet op appellante van toepassing.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/330 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2024, 24/3619 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

Deze uitspraak gaat over de vraag of de Svb terecht heeft geweigerd om een A1-verklaring af te geven waarin wordt bepaald dat over 2021 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op appellante van toepassing is. Appellante stelt dat zij in 2021 als zelfstandige werkte in Polen, en in dienstbetrekking in Nederland. De Raad oordeelt dat appellante haar stelling dat zij in 2021 in Nederland woonde en daar meer dan marginale werkzaamheden in loondienst heeft verricht, niet aannemelijk heeft gemaakt. De Svb heeft dus terecht geweigerd om de voor appellante aangevraagde A1-verklaring af te geven.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nader stuk ingediend. De Raad heeft beide partijen vragen voorgelegd. De Svb heeft daarop schriftelijk gereageerd. Van appellante is geen reactie ontvangen.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 juni 2026. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang.

Appellante heeft de Poolse nationaliteit en is op [datum] 2018 gehuwd met de eigenaar en enig aandeelhouder van [naam B.V.] , een in Nederland gevestigde onderneming.

Op 12 september 2021 is bij de Svb voor appellante een A1-verklaring aangevraagd. Ter onderbouwing van die aanvraag is te kennen gegeven dat appellante door omstandigheden in 2021 veel in Polen verbleef, maar in Nederland woonde en zowel in Polen als in Nederland werkte. In Polen zou appellante als zelfstandige voor haar eigen bedrijf werken, en in Nederland in loondienst van [naam B.V.] In de aanvraag is gesteld dat appellante meer dan 25% van haar werkzaamheden in Nederland verrichtte, zodat de Nederlandse en niet de Poolse socialezekerheidswetgeving op appellante van toepassing is.

Bij besluit van 28 april 2023 heeft de Svb geweigerd om ten behoeve van appellante een A1-verklaring af te geven. Daartoe is overwogen dat op basis van de door de echtgenoot van appellante en [naam B.V.] verstrekte informatie niet kan worden vastgesteld dat appellante in 2021 werkzaamheden heeft verricht in Nederland.

Appellante heeft tegen het onder 1.3 genoemde besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 16 mei 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard onder verwijzing naar Vo 883/2004 en Vo 987/2009.Daarbij is in aanmerking genomen dat niet voldoende informatie voorhanden is om te kunnen vaststellen dat werkzaamheden in Nederland zijn verricht.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres werkzaamheden in Nederland heeft uitgeoefend, laat staan dat zij een substantieel gedeelte van haar werkzaamheden in Nederland verrichtte.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Daartoe heeft appellante in hoofdzaak verwezen naar artikel 13 van Vo 883/2004 en artikel 16 van Verordening 987/2009. Zij heeft aangevoerd dat zij in Nederland in dienstverband werkt en daarnaast als zelfstandig ondernemer in Polen. Op grond van artikel 13 van Vo 883/2004 is de wetgeving aangewezen van de lidstaat waar zij werkzaamheden in loondienst uitoefent, dus Nederland. Verder heeft appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep een groot aantal stukken overgelegd, waaronder een factuur van een reis van Polen naar Nederland op 26 februari 2021 en bankafschriften waaruit blijkt dat op verschillende data in 2021 met haar bankpas pinbetalingen zijn gedaan in Nederland.

Het standpunt van de Svb

4. De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij is aangevoerd dat de stukken die appellante heeft overgelegd er hooguit op duiden dat appellante in 2021 in verschillende perioden in Nederland is geweest. Er kan niet uit worden afgeleid dat appellante in 2021 in een in aanmerking te nemen mate werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Verder heeft de Svb erop gewezen dat het Poolse bevoegde orgaan er inmiddels vanuit gaat dat het centrum van de belangen van appellante in Polen ligt en op grond van artikel 11 van Verordening 883/2004 heeft vastgesteld dat de Poolse socialezekerheidswetgeving op appellante van toepassing is over, onder meer, de periode in geding. De Svb gaat hierin mee, zowel op basis van de verplichting tot loyale samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie als op basis van zijn eigen vaststellingen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De verordeningsbepalingen die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Voor de bepaling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving in een situatie als die van appellante zijn aanwijsregels neergelegd in Vo 883/2004. Appellante stelt in hoger beroep dat zij in 2021 in Nederland in loondienst werkte en in Polen anders dan in loondienst. Ook het Poolse orgaan heeft slechts melding gemaakt van werkzaamheden van appellante anders dan in loondienst.

Op degene die in verschillende lidstaten werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten, is de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar deze persoon werkzaamheden in loondienst verricht. Dit is bepaald in artikel 13, derde lid, van Vo 883/2004. Daarbij worden marginale werkzaamheden buiten toepassing gelaten. Dit is geregeld in artikel 14, lid 5 ter, van Vo 987/2009. Voor de vraag of het bestreden besluit kan standhouden is dus bepalend of aannemelijk is dat appellante in 2021 in Nederland meer dan marginale werkzaamheden in loondienst heeft verricht.

In hoger beroep heeft appellante de stelling dat zij in 2021 in Nederland woonde en werkte, herhaald. In wat appellante heeft aangevoerd en overgelegd ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Voor de stelling van appellante dat zij in 2021 niet alleen vanuit Polen (en Duitsland) werkte maar ook – meer dan marginaal – vanuit Nederland, ontbreekt ook in hoger beroep een onderbouwing met objectieve gegevens. Op haar aanvraag om kinderbijslag in januari 2021 heeft appellante vermeld dat zij niet in loondienst werkte en niet buiten Nederland werkte voor een in Nederland gevestigde werkgever. Uit de door appellante overgelegde stukken blijkt dat appellante in 2021 wel enige binding had met Nederland, dat zij naar Nederland is gereisd en dat haar bankpas in Nederland is gebruikt, maar daarmee is nog niet aannemelijk geworden dat zij, zoals zij stelt, in Nederland woonde en (meer dan marginaal) vanuit haar brp-adres in Nederland heeft gewerkt. Het zeer geringe watergebruik in de periode in geding (1 m3 in ongeveer een jaar) rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning waar zij stelt te hebben gewoond en gewerkt, niet werd bewoond. Deze vooronderstelling wordt bevestigd door waarnemingen van een buurtbewoner. Het (beperkte) gebruik van de bankpas op naam van appellante in Nederland is onvoldoende om deze vooronderstelling te weerleggen. Hieraan doet de stelling van appellante dat zij regelmatig voedselpakketten uit Polen ontving, niet af.

Een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast brengt in gevallen als deze mee dat aanvragers de relevante feiten stellen en in geval van gemotiveerde betwisting door de Svb deze feiten ook aannemelijk maken. Dit heeft tot gevolg dat het risico van de twijfel voor rekening van appellante komt. Voor zover appellante heeft willen betogen dat zij door tijdsverloop niet meer beschikt over objectieve gegevens die haar feitelijke situatie aangaande de periode in geding kunnen onderbouwen, dan wel dat het risico van resterende onzekerheid over de objectieve feitelijke situatie van appellante bij de Svb berust, omdat de Svb onvoldoende onderzoek aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, volgt de Raad appellante niet in deze stellingname. De Svb heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan door tijdig en meerdere malen (tevergeefs) de benodigde gegevens op te vragen bij betrokkenen en voorafgaand aan het bestreden besluit een serie gerichte vragen aan appellante voor te leggen ter beantwoording. Mede gelet op het uitblijven van een toereikende beantwoording van die vragen heeft de Svb verder een aantal relevante gegevens opgevraagd bij derden. Ook is bij de voorbereiding van het bestreden besluit afstemming gezocht met het Poolse orgaan.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Door de persoon met wie appellante zich vergelijkt zijn meer en andere bewijsmiddelen overgelegd dan door appellante. De Svb hoefde voor appellante dus niet tot dezelfde conclusie te komen als voor die persoon.

Voor zover appellante het niet eens is met de vaststelling van het Poolse bevoegde orgaan dat over, onder meer, de periode in geding de Poolse socialezekerheidswetgeving op haar van toepassing is, kan zij dit alleen in Polen aanvechten. De Raad heeft appellante bij brief van 26 mei 2026 gevraagd of zij in Polen een rechtsmiddel tegen de beslissing van het Poolse orgaan heeft aangewend, maar die vraag heeft appellante niet beantwoord. Gelet op 5.3 is er ook geen sprake van een situatie waarin de Svb het Poolse orgaan om opheldering dient te vragen over deze vaststelling.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving over de periode in geding niet op appellante van toepassing is.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en J.H. Ermers en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) C.C.M. van 't Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke verdragsrechtelijke regels

Verordening (EG) 883/2004 (basisverordening)

Artikel 11 Algemene regels

1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.

(…)

Artikel 13; Verrichten van werkzaamheden in twee of meer lidstaten

(…)

3. Op degene die in verschillende lidstaten werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten, is de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar hij werkzaamheden in loondienst verricht of, indien hij dergelijke werkzaamheden verricht in twee of meer lidstaten, de overeenkomstig lid 1 vastgestelde wetgeving.

(…)

Verordening (EG) 987/2009 (toepassingsverordening)

Artikel 14; Verduidelijkingen bij de artikelen 12 en 13 van de basisverordening

(…)5 ter. Voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van artikel 13 van de basisverordening worden marginale werkzaamheden buiten beschouwing gelaten.

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand