SAMENVATTING
25/2426 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 juli 2025, 24/1769 AOW-V (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] , Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Wat verzoeker heeft aangevoerd is niet voldoende om het bijzondere rechtsmiddel van herziening toe te passen. De Raad wijst het verzoek daarom af.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 juli 2025.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van 25 juni 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Standpunt van verzoeker
1. De Raad heeft in de uitspraak van 7 juli 2025 een verzet tegen een eerdere uitspraak van de Raad van 10 januari 2025 ongegrond verklaard. In de daaraan voorafgaande uitspraak van 10 januari 2025 is een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad van 24 mei 2024, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker geen griffierecht heeft betaald.
2. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij om herziening vraagt omdat zijn zaak niet inhoudelijk is bekeken en zijn verzoek om een AOW-uitkering is afgewezen. Hij vraagt daarom zijn dossier opnieuw te bekijken en een nieuwe beslissing te nemen voor het verkrijgen van een AOW-uitkering. Het oordeel van de Raad
3. De Raad komt tot het oordeel dat verzoeker geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan deze uitspraak moet worden herzien.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven is om, anders dan op grond van enig nieuw feit of omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Verzoeker heeft in zijn verzoek geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, dat wil zeggen feiten of omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 7 juli 2025, niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening.
Verzoeker heeft zonder enige onderbouwing verzocht zijn dossier opnieuw te bekijken omdat hem een AOW-uitkering is geweigerd. Zoals uit de overweging onder 3.1 volgt is het middel van herziening daarvoor niet bedoeld.
Conclusie en gevolgen
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 7 juli 2025 in stand blijft.
4. Omdat het verzoek wordt afgewezen krijgt verzoeker geen vergoeding voor zijn proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);
statue:
Rejète la demande de révision.
Par conséquent, décidée par H.G. Rottier comme membre, en présence de M.G.J. van Eck en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 6 août 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck