SAMENVATTING
25/1151 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 april 2025, 24/902 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv het dagloon van de per 16 mei 2023 aan appellante toegekende WIAuitkering terecht heeft vastgesteld op € 182,90. Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat strikte toepassing van de dagloonregels in haar geval leidt tot een onevenwichtige uitkomst. De Raad volgt het standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het WIAdagloon juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Leijser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Haaften.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Appellante heeft van maart 2014 tot 1 juli 2020 een dienstverband gehad bij de gemeente [plaats 1]. Na de beëindiging van dit dienstverband heeft de gemeente [plaats 1] in de maand juli 2020 aan appellante onder andere een bedrag aan opgebouwd Individueel Keuze Budget (IKB) ter hoogte van € 3.698,97 en een restant aantal verlofuren ter hoogte van € 399,65 uitbetaald.
Vanaf januari 2021 is appellante bij de gemeente [plaats 2] werkzaam geweest als relatiebeheerder. Op 18 mei 2021 heeft appellante zich ziekgemeld. Vanaf juli 2022 heeft appellante een contract voor onbepaalde tijd voor 32 uur per week bij de gemeente [plaats 2].
Bij besluit van 13 juli 2023 (besluit 1) heeft het Uwv aan appellante per 16 mei 2023 een WIAuitkering op voorschotbasis toegekend. Hierbij is het (geïndexeerde) WIAdagloon vastgesteld op € 117,23. Omdat het inkomen van appellante hoger is dan het WIAmaandloon, komt de WIAuitkering niet tot uitbetaling.
Bij besluit van 13 september 2023 (besluit 2) heeft het Uwv appellante een voorschot op een WIAuitkering geweigerd over de periode van 16 mei 2023 tot en met 31 juli 2023, en ook vanaf 1 augustus 2023.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 en 2 omdat zij het niet eens is met de hoogte van het WIAdagloon.
Bij twee afzonderlijke beslissingen op bezwaar van 28 november 2023 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld.
Hangende het beroep heeft het Uwv op 12 december 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 3). Het Uwv heeft het bezwaar tegen besluit 1 gegrond verklaard en het WIAdagloon per 16 mei 2023 vastgesteld op € 182,90. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 30 juli 2024 heeft het Uwv de dagloondagen in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 december 2020 niet meegenomen voor de dagloonvaststelling, omdat appellante in deze periode geen svloon heeft ontvangen. Het Uwv heeft juli 2020 niet aangemerkt als loonloze periode, omdat aan appellante in dit tijdvak een bedrag van € 3.698,97 aan IKB en een bedrag van € 399,65 aan restant verlofuren is uitbetaald, dus in totaal een bedrag van € 4.098,52 aan svloon. Het bedrag van € 399,65 is meegeteld in de berekening van het WIAdagloon omdat dit uitbetaalde verlofuren betreft. Het bedrag van € 3.698,97 aan uitbetaald IKB is ingevolge artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) niet meegenomen in de berekening van het dagloon. Omdat wel alle dagloondagen van juli 2020 worden meegeteld voor de berekening van het dagloon, heeft dit een verlagend effect op het WIAdagloon.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het griffierecht.
De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen in geschil is of het Uwv terecht de maand juli 2020 niet heeft aangemerkt als loonloze periode en of het Uwv de dagloondagen van deze maand terecht heeft meegenomen in de dagloonberekening. Daarbij is van belang dat de vraag of sprake is van een loonloze periode dient te worden onderscheiden van de vraag hoe de hoogte van het dagloon moet worden vastgesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 14 van het Dagloonbesluit is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een loonloze periode als in die periode svloon is betaald. Uit de polisadministratie blijkt dat in juli 2020 een bedrag van € 4.098,62 aan svloon is uitbetaald. Dit bedrag volgt ook uit de loonstrook over juli 2020; € 3.698,97 aan IKB en € 399,65 aan resterende verlofuren. Tussen partijen is ook niet in geschil dat dit bedrag is betaald. Nu er in juli 2020 svloon is betaald, kan die maand niet als loonloze periode worden aangemerkt. Er is daarom geen reden om de dagloondagen over deze maand voor de dagloonberekening buiten beschouwing te laten.
Het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel heeft de rechtbank niet gehonoreerd. In het geval van een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, kunnen bijzondere omstandigheden maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor belanghebbende onredelijk bezwarend is.
Op grond van het Dagloonbesluit wordt bij de vaststelling van het dagloon rekening gehouden met het loon dat door de werkgever in de referteperiode is opgegeven in de polisadministratie. Dat een periode waarin minder loon is opgegeven een dagloonverlagend effect heeft, omdat alle dagloondagen worden meegenomen in de dagloonberekening, heeft de regelgever voorzien. Daarnaast is op zitting gebleken dat, hoewel bestreden besluit 3 voor appellante negatieve financiële gevolgen heeft, die gevolgen niet dusdanig zijn dat dient te worden geconcludeerd dat die onredelijk bezwarend zijn voor haar.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond is verklaard. Appellante heeft aangevoerd dat strikte toepassing van het Dagloonbesluit in haar geval leidt tot een WIAmaandloon dat niet representatief is voor haar gemiddelde inkomen voorafgaand aan de ziekmelding. Dit komt door een administratieve handeling van de gemeente [plaats 1], te weten het uitbetalen van een bedrag aan IKB en een bedrag aan restant verlofuren in juli 2020, na beëindiging van haar dienstverband. Appellante heeft een beroep op het evenredigheidsbeginsel gedaan. Volgens appellante is, zoals ter zitting nader door haar gemachtigde toegelicht, in haar geval sprake van bijzondere omstandigheden, waardoor de toepassing van het Dagloonbesluit zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven. Bestreden besluit 3 is voor appellante onredelijk bezwarend. Als het bedrag aan IKB en restant verlofuren in juni 2020 zou zijn uitbetaald in plaats van in juli 2020, dan zou het WIAdagloon van appellante anderhalf keer zo hoog zijn. De hoogte van de WIAuitkering is ook van invloed op de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP) van appellante. In totaal (WIAuitkering en AOP samen) gaat het volgens appellante om een bedrag van enkele honderden euro’s per maand minder aan inkomsten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante haar eigen berekeningen overgelegd. Doordat appellante waarschijnlijk nog jaren aangewezen zal zijn op een WIAuitkering, zal zij ook jarenlang de nadelige financiële consequenties van het lagere WIAdagloon ondervinden.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. Ter zitting is vastgesteld dat in hoger beroep niet meer in geschil is dat het Uwv de maand juli 2020 terecht niet heeft aangemerkt als loonloos tijdvak, omdat hierin een bedrag van € 4.098,62 aan svloon is betaald. Omdat het in juli 2020 uitbetaalde IKB niet wordt betrokken bij de berekening van het dagloon, maar de dagloondagen van juli 2020 wel, leidt dit tot een lager dagloon.
Ter zitting is ook vastgesteld dat niet in geschil is dat de wijze waarop het Uwv het dagloon van € 182,90 heeft berekend, in overeenstemming is met de daarvoor geldende bepalingen in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en het Dagloonbesluit. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv in het geval van appellante van de voorgeschreven berekeningswijze had moeten afwijken, omdat dit leidt tot een onevenredige uitkomst.
Evenredigheidsbeginsel
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betekent dit dat bestreden besluit 3 berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, Met het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluiten berust op gebonden bevoegdheden die zijn neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Er moet dan worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van uitoefening van de gebonden bevoegdheid zozeer onevenwichtig zijn, dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift waarop die bevoegdheid berust in het voorliggende geval achterwege moet blijven.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellante gestelde omstandigheden niet maken dat bestreden besluit 3 voor haar tot een onevenwichtige uitkomst leidt. Het oordeel van de rechtbank en de hieraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt hieraan het volgende toegevoegd.
De Raad heeft al eerder overwogen dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon dwingend volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. Hieruit volgt dat wat appellante heeft aangevoerd over de keuze van de gemeente [plaats 1] om het bedrag aan IKB en het bedrag aan restant verlofuren in juli 2020 uit te betalen, en de financiële gevolgen hiervan voor appellante, op zichzelf niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van het Dagloonbesluit. Dit geldt ook in samenhang bezien met de omstandigheid dat het lagere WIAdagloon voor appellante leidt tot een lager arbeidsongeschiktheidspensioen. Dat appellante wellicht voor lange tijd is aangewezen op een uitkering is een omstandigheid die ook voor andere uitkeringsgerechtigden geldt en is daarom ook geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten geven om in afwijking van de regels uit het Dagloonbesluit voor appellante tot een hogere uitkering te komen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de vaststelling van het WIA-dagloon op € 182,90 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en D.H. Harbers en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) N. Gios
Bijlage: relevante wettelijke bepalingen
Artikel 13 van de Wet WIA
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 16 van het Dagloonbesluit (tekst geldend op 16 mei 2023)
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.