ECLI:NL:CRVB:2026:1079

ECLI:NL:CRVB:2026:1079

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 25/2374 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De belasting in de geselecteerde functies overschrijden de mogelijkheden van appellant niet.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/2374 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025, 24/10992 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 18 april 2023 geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings. Op deze zitting is gelijktijdig, maar niet gevoegd ook de zaak 25/702 ZW behandeld. In die zaak is afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant was werkzaam als tramconducteur voor gemiddeld 34,43 uur per week toen hij zich 20 april 2021 ziekmeldde vanwege rugpijn met uitstraling naar zijn rechterbeen. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft het Uwv bij besluit van 31 januari 2023 geweigerd appellant met ingang van 18 april 2023 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij niet gedurende de wachttijd van 104 weken recht heeft gehad op een ZWuitkering.

In het kader van het bezwaar dat appellant tegen het WIAbesluit heeft gemaakt, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts heeft op 23 juli 2024 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgesteld, waarna de arbeidsdeskundige functies voor appellant heeft geselecteerd. Bij brief van 21 augustus 2024 heeft het Uwv de resultaten van het onderzoek aan appellant kenbaar gemaakt. Bij besluit van 25 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het WIAbesluit ongegrond verklaard, omdat appellant met ingang van 9 augustus 2022 geen recht heeft op een WIAuitkering, omdat hij per einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Ten aanzien van de beroepsgrond van appellant dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden heeft de rechtbank overwogen dat appellant in zijn bezwaarschrift van 9 februari 2023 aanvankelijk heeft aangegeven dat hij zijn bezwaren nog mondeling wil toelichten. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 16 november 2023 heeft de rechtbank afgeleid dat appellant op het spreekuur van 15 november 2023 zijn situatie en standpunten nader mondeling heeft toegelicht. Nadat de gemachtigde van appellant zich heeft gesteld, heeft het Uwv met de uitnodigingsbrief de stukken toegezonden met de gelegenheid om aan te geven of een hoorzitting nog gewenst is. Het Uwv heeft hierop geen reactie ontvangen. Gegeven het feit dat de raadsman heeft erkend de uitnodigingsbrief te hebben ontvangen en daarop niet te hebben geantwoord, mocht het Uwv naar het oordeel van de rechtbank afzien van het horen van appellant, temeer omdat pas na indiening van het bezwaarschrift de zaak van appellant medisch inhoudelijk is beoordeeld. In die situatie kon de raadsman niet afzien van een reactie op de uitnodigingsbrief zonder daarmee het recht op horen prijs te geven. Daarbij heeft de rechtbank nog overwogen dat appellant desgevraagd in beroep ook niet heeft verklaard wat hij tijdens de hoorzitting anders nog had willen zeggen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de bevindingen en het medisch oordeel van de arts of de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts in het rapport van 23 juli 2024 inzichtelijk heeft gemotiveerd welke lichamelijke en psychische beperkingen voor appellant van toepassing zijn. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 7 juli 2025 bevestigd dat er geen reden is om aan te nemen dat de primaire arts een onvolledig of onjuist beeld van appellant had en dat de toen vastgestelde belastbaarheid per 17 april 2023 adequaat rekening hield met de problematiek die toen actueel was. Omdat de rechtbank geen twijfel heeft aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, heeft zij geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De rechtbank heeft verder geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij in zijn bezwaarschrift heeft aangegeven dat hij zijn bezwaar mondeling wilde toelichten. Het Uwv mocht daarom niet afzien van het horen op het bezwaar. Dat de raadsman niet heeft gereageerd op een brief waarin hem werd verzocht om aan te geven of een hoorzitting (nog) gewenst was doet daaraan niet af. Appellant heeft aangevoerd dat hij in bezwaar en in beroep uitvoerig heeft uiteengezet dat hij zowel fysieke als psychische beperkingen heeft. Deze beperkingen bestaan onder andere uit pijnen in zijn rug die uitstralen naar verschillende delen van zijn lichaam. Daarnaast heeft appellant psychische klachten. Ter onderbouwing van zijn klachten heeft appellant een journaal van zijn huisarts overgelegd. Appellant acht zich als gevolg van deze klachten niet in staat om werkzaamheden te verrichten. De door de arbeidsdeskundige aan appellant voorgehouden functies assemblage medewerker elektronische producten, snackbereider, productiemedewerker industrie, wikkelaar, productiemedewerker textiel (geen kleding) vereisen fysieke arbeid. Appellant ervaart echter problemen bij staan en lopen. Appellant kan maximaal een half uur lopen of staan; de meerderheid van de voorgehouden functies vereist langdurig staan, repetitieve bewegingen en productietempo. Daarnaast blijkt dat appellant problemen ervaart met trillingen, buigen, reiken en tillen. Veel van deze functies omvatten: repeterend buigen, reiken, hanteren van materialen en werken in omgeving met lichte trillingen. Dit druist rechtstreeks in tegen de FMLbeperkingen. Appellant benadrukt dat hij last heeft van chronische pijn, stress, psychische overbelasting, spanningsklachten en verminderd concentratievermogen. Niet valt in te zien dat zulks valt te rijmen met de functies waarvoor appellant geschikt wordt geacht. Appellant heeft zijn verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen herhaald. Dit is nodig omdat er voldoende twijfel is of de artsen van het Uwv de klachten van appellant in voldoende mate hebben betrokken bij hun oordeel.

Het standpunt van het Uwv

4. In hoger beroep heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 12 mei 2026 op verzoek van de Raad de signaleringen bij verschillende beoordelingspunten in de resultaat functiebeoordelingen nader besproken. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functie productiemedewerker met SBCcode 111071 laten vervallen omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de belasting op staan, lopen, traplopen te belastend vindt. De mate van arbeidsongeschiktheid is nader berekend op 32,92% in plaats van 28,87%. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen van een belanghebbende kan uitsluitend worden afgezien in de in artikel 7:3 van de Awb genoemde gevallen. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder d, kan van het horen worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Hoorplicht

De beroepsgrond van appellant dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord, is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

Medische beoordeling

Wat appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak over de medisch inhoudelijke beoordeling heeft aangevoerd is ook een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt evenmin aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd geen reden geeft om te twijfelen aan de medische inhoudelijke beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep welke lichamelijke en psychische beperkingen voor hem van toepassing zijn op 17 april 2023. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak berust worden onderschreven. In hoger beroep heeft appellant, net als in beroep, geen medische stukken ingediend die leiden tot een ander oordeel. In het door appellant overgelegde journaal van zijn huisarts is geen onderbouwing gevonden voor het standpunt van appellant dat de FML van 23 juli 2024 geen juist beeld geeft van zijn beperkingen op 18 april 2023.

Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Arbeidskundige beoordeling

Uitgaande van de juistheid van de FML van 23 juli 2024 wordt geoordeeld dat de drie functies waarop, zoals volgt uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 mei 2026 de nadere berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 32,92% steunt, in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De geschiktheid van deze voorbeeldfuncties is in de arbeidskundige rapporten afdoende toegelicht. Appellant gaat bij de door hem aangevoerde gronden uit van meer medische beperkingen dan door het Uwv zijn aangenomen en dit standpunt van appellant wordt door de Raad, zoals hiervoor is overwogen, niet gevolgd.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIAuitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) S.P.A. Elzer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand