ECLI:NL:CRVB:2026:1080

ECLI:NL:CRVB:2026:1080

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 25/702 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 22 november 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd. Eerst in hoger beroep heeft het Uwv een deugdelijke motivering (maatstaf arbeid) aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, veroordeling in de proceskosten en vergoeding griffierecht in hoger beroep.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 oktober 2024, 24/3918 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 22 november 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings. Op deze zitting is, gelijktijdig maar niet gevoegd, ook de zaak 25/2374 WIA van appellant behandeld. In die zaak is afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant was werkzaam als tramconducteur voor gemiddeld 34,43 uur per week toen hij zich 20 april 2021 ziekmeldde vanwege rugpijn met uitstraling naar zijn rechterbeen. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 18 april 2023 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan de besluitvorming ligt onder meer een Functionele Mogelijkheden lijst (FML) van 23 juli 2024 ten grondslag. Voor de procedurele gang van zaken wordt verwezen naar de uitspraak van heden met kenmerk 25/2374 WIA.

Op 29 augustus 2022 heeft appellant werkzaamheden hervat in een leer-werktraject als taxichauffeur voor 38 uur per week. Zijn dienstverband is op 12 november 2022 beëindigd. Op 13 september 2023 heeft hij zich ziekgemeld vanwege fysieke en mentale klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 15 november 2023 heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 22 november 2023 geschikt geacht voor zijn laatste werk als taxichauffeur. Met een besluit van 17 november 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering per 22 november 2023 beëindigd.

Bij besluit van 6 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een bedrijfsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hiertoe is overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, lichamelijk en psychisch onderzoek door de verzekeringsarts tijdens het fysieke spreekuur van 15 november 2023, het gestelde in bezwaar en ter hoorzitting van 1 maart 2024 en het aansluitend uitgevoerde aanvullende medisch onderzoek van de bedrijfsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft in wat appellant in beroep heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat het niet gaat om de medische klachten als zodanig, maar om de objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts heeft na onderzoek tijdens het spreekuur geconcludeerd dat appellant met zijn klachten en beperkingen in staat is zijn oude werkzaamheden te verrichten. De bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft na onderzoek de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. In zijn rapport is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd aangegeven waarom hij geen aanleiding ziet af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. Hij heeft daarbij overwogen dat appellant voor zijn psychische klachten niet onder behandeling heeft gestaan, dat er ook geen hulpvraag is geweest voor deze klachten en voorts dat uit de medische informatie en eigen onderzoek blijkt van reeds langer bestaande rugklachten, zonder evidente bewegingsbeperkingen en/of radiculaire prikkelingsverschijnselen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij zowel fysiek als psychisch niet in staat is om werkzaamheden te verrichten. Appellant begrijpt dan ook niet waarom hij geschikt werd geacht voor het werk van taxichauffeur. Appellant heeft pijnen in zijn rug die uitstralen naar zijn hele lichaam. Ook psychisch heeft appellant het zwaar. De klachten van appellant zijn verder niet tijdelijk maar chronisch van aard. Appellant verwijst in dit kader naar een journaal van zijn huisarts. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke medische deskundige te benoemen die zijn arbeids(on)geschiktheid kan beoordelen.

Het standpunt van het Uwv

4. Bij brief van 30 juni 2026 heeft het Uwv de motivering van het bestreden besluit gewijzigd. Omdat appellant werk als taxichauffeur heeft gedaan tijdens de wachttijd voor de WIA heeft het Uwv heeft zich nader op het standpunt gesteld dat in dat geval voor de maatstaf ‘zijn arbeid’ moet worden uitgegaan van de bij de WIA-beoordeling per 18 april 2023 geselecteerde functies. De bedrijfsarts bezwaar en beroep (inmiddels bedrijfs- en stafverzekeringsarts bezwaar en beroep) heeft in een rapport van 30 juni 2026 vastgesteld dat tussen 18 april 2023 en 22 november 2023 geen sprake is van toegenomen beperkingen. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat appellant per 22 november 2023 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De reactie van appellant

5. Appellant heeft zich onveranderd op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen op 22 november 2023 zijn onderschat. Appellant heeft aangevoerd dat er een nader onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep had moeten plaatsvinden gelet op de gewijzigde maatstaf.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hersteldverklaring in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De Raad heeft in zijn uitspraak van heden met kenmerk 25/2374 WIA geoordeeld dat de weigering van de WIA-uitkering van appellant per 18 april 2023 in stand kan blijven.

Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.

Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een hersteldverklaring/weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:

van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én

op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.

Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een beëindiging van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.

De beroepsgrond dat er een nader onderzoek door de bedrijfs- en stafverzekeringsarts bezwaar en beroep had moeten plaatsvinden, gelet op de gewijzigde maatstaf, slaagt niet. De bedrijfs- en stafverzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapport van 30 juni 2026 op basis van onderzoeken door de verzekeringsarts E. Celik op het spreekuur van 15 november 2023 (ZW-beoordeling) en het spreekuur van 22 juli 2024 (WIA-beoordeling), eigen onderzoek vastgelegd in het rapport van 4 februari 2024 en ontvangen informatie van de huisarts, geconcludeerd dat de beperkingen van appellant tussen 18 april 2023 en 22 november 2023 niet zijn gewijzigd. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om aan te nemen dat de bedrijfs- en stafverzekeringsarts bezwaar en beroep over onvoldoende informatie beschikte om op basis daarvan een beeld te vormen van de belastbaarheid van appellant op 22 november 2023.

De bedrijfs- en stafverzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom hij van mening is dat de beperkingen van appellant per datum in geding 22 november 2023 niet zijn toegenomen ten opzichte van de beperkingen zoals die zijn vastgesteld in de FML van 23 juli 2024 bij de WIA-beoordeling per 18 april 2023. De bedrijfs- en stafverzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat op 22 november 2023 sprake was van rugklachten, zonder evidente bewegingsbeperkingen of radiculaire prikkelingsverschijnselen bij lichamelijk onderzoek, naast reactieve spanningsklachten. Ten aanzien van de psychische klachten is gerapporteerd dat tijdens zowel het primaire onderzoek alsmede het onderzoek in bezwaar geen aanwijzingen bestonden voor ernstige psychopathologie of cognitieve functiestoornissen die aanleiding geven tot verdergaande beperkingen in het persoonlijk of sociaal functioneren. Appellant heeft zijn standpunt dat per 22 november 2023 sprake was van meer medische beperkingen dan door het Uwv zijn aangenomen niet met medische gegevens onderbouwd. In het door appellant overgelegde journaal van zijn huisarts is daarvoor geen onderbouwing gevonden.

Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen

Omdat de medische beperkingen van appellant in vergelijking met de WIAbeoordeling per 18 april 2023 niet zijn toegenomen, is daarmee gegeven dat de bij de WIA geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook per 22 november 2023 geschikt zijn voor appellant.

Conclusie en gevolgen

De Raad stelt vast dat het Uwv pas in hoger beroep een deugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Daaruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit gebrek zal worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met dezelfde inhoud zijn genomen.

Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

7. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand. In totaal is dit € 3.736,- aan kosten voor verleende rechtsbijstand.

8. Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) S.P.A. Elzer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand